Acht jaar en een kloeke vier maanden. Zo lang is het ondertussen geleden dat Joaquin Phoenix uit het niks zijn acteerpensioen én een tweede carrière als rapper aankondigde. Uiteindelijk bleek het slechts een uit de hand gelopen grap, voor de samen met Casey Affleck georkestreerde mockumentary I'm Still Here. Gelukkig maar. Dat sommigen hem toen op zijn verwarde woord geloofden, pleit niet alleen voor zijn talent om zich met haast zelfdestructieve overgave op een rol te storten. Het voorval, dat hem meer dan drie jaar van het scherm hield en sommigen openlijk aan zijn geestelijke gezondheid deed twijfelen, toont hoe grillig en vastberaden Phoenix kan zijn, en vooral: hoe hartsgrondig hij het hele celebritycircus haat.
...

Acht jaar en een kloeke vier maanden. Zo lang is het ondertussen geleden dat Joaquin Phoenix uit het niks zijn acteerpensioen én een tweede carrière als rapper aankondigde. Uiteindelijk bleek het slechts een uit de hand gelopen grap, voor de samen met Casey Affleck georkestreerde mockumentary I'm Still Here. Gelukkig maar. Dat sommigen hem toen op zijn verwarde woord geloofden, pleit niet alleen voor zijn talent om zich met haast zelfdestructieve overgave op een rol te storten. Het voorval, dat hem meer dan drie jaar van het scherm hield en sommigen openlijk aan zijn geestelijke gezondheid deed twijfelen, toont hoe grillig en vastberaden Phoenix kan zijn, en vooral: hoe hartsgrondig hij het hele celebritycircus haat. In retrospectie bleek het immers om veel meer te gaan dan zomaar een satire op luitjes die kicken op faam en fortuin. De hele stunt was een welgemeende fuck you aan het adres van hedonistisch Hollywood én aan de A-list filmster die Phoenix dreigde op te slorpen, na passages in hits als Gladiator (2000), Signs (2002) én de Johnny Cash-biopic Walk the Line (2005). En tegelijk ook een wake-up call, na het nodige geworstel met drank en drugs. Kwestie van niet dezelfde toer op te gaan als zijn oudere broer River die in 1993 op zijn 23e op Sunset Boulevard bezweek aan een overdosis heroïne. Nog een geluk dat feniksen, zelfs al plegen ze een hold-up op hun eigen carrière, uit hun as plegen te verrijzen. Het lijstje aan memorabele auteursfilms waarin hij sinds zijn bizarre retraite te zien was, oogt immers indrukwekkend, en bevestigde hem opnieuw als de meest intense en instinctieve leading man van zijn generatie, een 21e-eeuwse versie van Monty Clift, Marlon Brando, of de jonge Al Pacino zo je wil. 'Joaquin regisseer je niet. Je vólgt hem', getuigde meesterregisseur Paul Thomas Anderson vol lof, nadat die hem opvoerde als getroebleerde oorlogsveteraan in The Master (2012) en als hippiedetective Doc Sportello in de Thomas Pynchon-adaptatie Inherent Vice (2014). 'Hij is een prachtig, wild beest dat je volledig vrij moet laten', voegde Lynne Ramsay daar enthousiast aan toe, nadat ze hem castte als wraakengel in de thriller You Were Never Really Here (2017), een Travis Bickle-achtige rol die Phoenix in Cannes vorig jaar de prijs voor beste acteur opleverde. Ook 2018 belooft een markant jaar te worden voor de inmiddels 43-jarige acteur, die als geen ander de gave heeft om breekbaarheid, twijfel, dreiging en kracht uit te stralen. En liefst tegelijk. Zo speelt hij mee in de donkerkomische western The Sisters Brothers van Jacques ' Un Prophète' Audiard - straks verwacht in Cannes - en leent hij in de Bijbelfilm Mary Magdalene zijn forse lijf zowaar aan Here Jezus. Al valt voorlopig af te wachten of de film, met zijn huidige vriendinnetje Rooney Mara als heilige hoer, ook in België in de zalen komt. Wel zeker is dat Phoenix vanaf volgende week te zien is in Don't Worry, He Won't Get Far on Foot, een bitterzoete biopic waarin hij in de huid en de rolstoel kruipt van cartoonist en alcoholicus John Callahan (1951-2010). Die ontdekte pas zijn volle talent als tekenaar, nadat hij in 1972 bij een auto-ongeval verlamd werd. 'Ik had nochtans geen zin in een biopic. Omdat je vastzit aan mensen en feiten. Dan kun je net zo goed een documentaire maken', bekent Phoenix, terwijl hij in zijn groezelige, grijzende baard krabt, en een diepe haal neemt van zijn sigaret, alsof hij zich wil oppompen voor iets waar hij al net zo'n grondige hekel aan heeft: interviews geven. 'Gelukkig bleek Gus er net hetzelfde over te denken. Hij wilde een interpretatie brengen van Callahans leven. Geen verfilmd dagboek, of iets fucking soapy en sentimenteel. Dat heeft me over de streep getrokken. Dàt, en opnieuw werken met Gus natuurlijk.' De Gus waarover Phoenix het heeft, is Gus Van Sant, de maker van Drugstore Cowboy (1989), Good Will Hunting (1997), Gerry (2002), Elephant (2003), Paranoid Park (2007), Milk (2008) en andere prachtfilms. De twee hebben al jaren een nauwe band. Van Sant was immers de regisseur die zijn betreurde broer River in zijn poëtische roadmovie My Own Private Idaho (1991) de rol schonk die hem eeuwige cultfaam zou opleveren. Bovendien was hij diegene die de jonge Joaquin indertijd liet doorbreken met To Die For (1995), een zwarte komedie waarin hij een sullige fanboy speelt die zich door weervrouw Nicole Kidman laat verleiden en manipuleren om haar man uit de weg te ruimen. Was het een blij weerzien met Gus Van Sant na al die jaren? Joaquin Phoenix: Gus is geweldig. Hij weet mensen te hypnotiseren met zijn zachte, bedachtzame en wat knikkende manier van spreken. ( imiteert hem) Zo klinkt hij, toch? Als zo'n alwetende Jedimeester. Hij straalt wijsheid en innerlijke rust uit, en stelt je automatisch op je gemak. Als Van Sant zo goed is, hoe komt het dat je zo lang niet meer met hem hebt gewerkt? Phoenix: We hadden wel contact, maar het kwam er gewoon nooit van. Tot hij opnieuw kwam aanzetten met Don't Worry, een project dat al twintig jaar in de lucht hangt ( Van Sant werd in de jaren negentig aan boord gehaald door wijlen Robin Williams, die de rechten op Callahans autobiografie had gekocht, nvdr.). Ik dacht: hier moet hij echt wel iets over te zeggen hebben, want hij blijft er maar op terugkomen. Ik ken Gus al van To Die For, mijn eerste film nadat ik vier jaar niet gewerkt had. Als kindacteur ( Phoenix begon op zijn achtste met acteren onder de naam Leaf Phoenix, nvdr.) had ik altijd geleerd: sta op je plek, zeg je tekst en doe verder vooral niks. Gus was de eerste die me zei: 'Loop waar je wil. Volg je instinct.' Ik kon mijn oren niet geloven. Mag ik echt lopen waar ik wil? Mag ik echt op tafel springen? Fuck yeah! Plots ging er een wereld van creativiteit en mogelijkheden voor me open. Een script dicteert tot in de puntjes wat je mag en niet mag doen, maar sommige regisseurs durven daar dus van af te wijken. Sindsdien wil ik niets anders meer en denk ik fuck it wanneer een regisseur weer eens te veel regeltjes oplegt die in de weg staan van waarachtigheid. Het is de belangrijkste les die ik in mijn carrière gekregen heb en mijn manier van acteren volledig heeft veranderd. Zijn advies heeft je geen windeieren gelegd. Velen beschouwen je als één van de allerbeste acteurs van je generatie. Doet al dat lof je wat?Phoenix: ( blaast) Ik kan het niet helpen, maar ik ben een grote cynicus. Toen ik vorig jaar die acteerprijs won in Cannes was mijn eerste reactie: o, het moet wel een heel slecht jaar met heel veel slechte films geweest zijn. Ik kan me niet voorstellen dat mijn werk waarde heeft. Zo werkt mijn brein nu eenmaal. Ik ga er ook van uit dat al mijn films gedoemd zijn om te mislukken. Af en toe krijg je dan toch appreciatie van mensen wier werk je respecteert en denk je: misschien ben ik dan toch niet zo'n kluns. Tot ik terug bij zinnen kom en denk: spaar je lof, man. Je wordt oud. Je hebt slechte smaak. Die attitude houdt me gemotiveerd en herinnert me eraan dat ik keihard moet werken. Toch weet je blijkbaar donders goed welke rollen je moet aannemen, en vooral welke niet. Phoenix: Je kiest regisseurs wier films je goed vindt, en vervolgens doe je wat ze je vragen. Min of meer toch. Soms lees je ook een script waarvan je instinctief voelt: dit moet ik doen. Of het een goede film wordt, of er volk komt kijken, dat interesseert me geen fuck. Wat interesseert je dan wel? Phoenix: Voor mij telt de ervaring, de intensiteit. Drama is conflict, right? Wel, laat het maar botsen en knetteren. Hoe intenser, hoe beter. Comfortabele dingen trekken me niet aan. Comfortabel is voor thuis. Soms moet je ook geluk hebben. Een paar jaar geleden vroeg ik Darius Khondji, een cameraman met wie ik al een paar keer heb gewerkt ( voor James Gray's migrantendrama The Immigrant (2014) en Woody Allens Irrational Man (2015), nvdr.): 'Wie zijn zoal goede regisseurs tegenwoordig?' Ik ben helemaal geen fucking cinefiel moet je weten. Ik kijk amper naar films, en al helemaal niet naar de mijne. Darius noemde toen Lynne Ramsay, en het stomme toeval wilde dat ze net een nieuwe film aan het voorbereiden was met mij in gedachten. Het was een kwestie van serendipiteit, of hoe heet dat? Op die manier ben ik bij You Were Never Really Here beland. Hoe kun je nu weten dat je werk slecht is als je er zelf niet naar kijkt? Phoenix: Ik heb sinds Walk the Line geen film van mezelf meer bekeken. Uit zelfbescherming omdat ze toch nooit beantwoorden aan mijn verwachtingen. Nee, ook Don't Worry heb ik niet gezien. John Callahan was een alcoholverslaafde cartoonist en zat in een rolstoel. Hoe begin je aan zo'n rol? Phoenix: Met panikeren. Ik voel me altijd een klein onwennig kind tijdens de eerste draaidagen. Hier was het lastige: hoe speel je een verlamde kerel in een rolstoel? Gelukkig bewoog John best veel, zo bleek. Ik trok naar het revalidatiecentrum in Portland waar hij indertijd verbleef en heb er mensen met dezelfde verwondingen ontmoet. John maakte altijd van die rare bewegingen met zijn handen, en de therapeute zei me: 'Dat komt omdat hij pijn heeft.' 'Maar hij is toch verlamd?' vroeg ik. 'Hoe kan hij dan pijn voelen?' Blijkbaar manifesteert de pijn van verlamde mensen zich in andere lichaamsdelen. Dat besef heeft me toch een beetje gerustgesteld, omdat ik tenminste begreep wat er in zijn lichaam omging. Ik zat niet zomaar wat te spartelen, omdat ik iemand anders zo'n bewegingen had zien maken. Heb je Callahan, wiens wrange, vaak politiek incorrecte cartoons onder meer verschenen in Playboy en Penthouse, ooit ontmoet? Phoenix: Nee, maar wel zijn familie en vrienden. En ook zijn autobiografie was een enorme hulp, want die is schaamteloos eerlijk. Ik heb het boek zelfs grondiger bestudeerd dan ik van plan was. Omdat ik mijn eerste exemplaar, waarin al mijn aantekeningen stonden, was kwijtgeraakt en de oefening dus nog een keer moest maken. Waarna ik mijn eerste kopie alsnog terugvond. Fuck. ( lacht) Toen Daniel Day-Lewis in My Left Foot kunstenaar Christy Brown vertolkte, die ook vrijwel volledig verlamd was, bleef hij zich naar verluidt ook verschillende weken in die rolstoel verplaatsen. Wat hem naast bedwonden ook twee gebroken ribben opleverde. Ben je ook zover gegaan, of vind je die doorgedreven method acting maar bullshit? Phoenix: Vraag je me nu of ik ook na de opnames in een rolstoel bleef? Nee. Dat fysieke aspect is maar een deel van de film die trouwens ook over de periode voor zijn ongeval gaat. John voelde zich vrij. Voor hem was alcoholisme zijn grootste handicap. Dat was hetgeen zijn creativiteit belemmerde en wat zijn relaties met anderen onder druk zette. Eén keer heb ik een assistent gevraagd om me op te tillen en in een rolstoel te zetten, omdat ik niet wist welke houding ik moest aannemen en ik wilde dat mijn lijf er als het ware zou inploffen. Die kerel moest zo hard trekken en sleuren - ik weeg negentig kilo - dat ik me meteen ongelofelijk beschaamd voelde en ik die gast hoorde denken: Fuck you, man, ik heb mijn eigen werk. ( lacht) Als je op een filmset staat en je steekt je jas omhoog in de overtuiging dat er sowieso iemand klaarstaat om hem aan te nemen, is het tijd om naar huis te gaan. En om vakantie te nemen.