Hernieuwbare energie is géén valabel alternatief voor fossiele brandstoffen, wat de propagandisten van zonnepanelen, windturbines en biomassacentrales ook mogen beweren. En wie denkt dat de groene lobby wordt bestierd door klimatologen en boomknuffelaars is schuldig naïef. De sector is allang gekaapt door de grootindustrie, die eerder de kapitalistische levensstijl dan Moeder Aarde hoopt te redden. Dat is althans de weinig opbeurende, recalcitrante these van de documentaire Planet of the Humans.
...

Hernieuwbare energie is géén valabel alternatief voor fossiele brandstoffen, wat de propagandisten van zonnepanelen, windturbines en biomassacentrales ook mogen beweren. En wie denkt dat de groene lobby wordt bestierd door klimatologen en boomknuffelaars is schuldig naïef. De sector is allang gekaapt door de grootindustrie, die eerder de kapitalistische levensstijl dan Moeder Aarde hoopt te redden. Dat is althans de weinig opbeurende, recalcitrante these van de documentaire Planet of the Humans. Michael Moore, de documentairemaker, activist en showman die nooit om een mediarel of straf statement verlegen zit, gooide de film op de vijftigste Dag van de Aarde (22 april) online op YouTube, en discussies, denkstukken en moddergegooi over en weer volgden vrijwel meteen. Voor de goede orde: Moore is niet de regisseur of schrijver van Planet of the Humans, dat inmiddels 7,8 miljoen hits haalde. Maker, gids en verteller is zijn kompaan Jeff Gibbs, die als producent al meewerkte aan Bowling for Columbine (2002) en Fahrenheit 9/11 (2004), de al even controversiële docu's waarmee linkse rakker Moore respectievelijk de Amerikaanse wapenlobby en de war on terror onder schot nam. In de film, die Moore als uitvoerend producent heeft, stelt Gibbs zich voor als een ontgoochelde milieuactivist, een ex-hippie die zelf jarenlang geloofde dat groene energie de klimaatverandering kon counteren. Tot hij almaar meer barsten in dat narratief begon te detecteren, bizarre connecties tussen de groene beweging en de grote bedrijven ontwaarde, en ook ecologisten en wetenschappers vond die hun claims en cijfers in twijfel trokken. Net als Moore hanteert Gibbs een subjectieve stijl, waarbij hij zelf de voice-over inspreekt, archiefmateriaal mengt met reportage-interviews en af en toe ook op de man speelt, bijvoorbeeld door te stellen dat prominente pleitbezorgers van duurzame energie zoals Bill McKibben en Al Gore in de zak van de fossiele industrie zitten. De titel Planet of the Humans verwijst naar de Planet of the Apes-films, en zelfs het logo lijkt op dat van de populaire sciencefictionfranchise die eind jaren zestig begon. Voor wie die films nooit heeft gezien: daarin blijkt de aarde een postapocalyptische woestenij waarin de apen het voor het zeggen hebben, nadat de oorlogs- en verspilzuchtige mensheid er een onleefbaar zootje van heeft gemaakt. Met dat doemscenario in het achterhoofd bedient Gibbs zich van journalistiek en narratieve fictie om er zijn pointe in te hameren: we zijn met te veel op deze aardkloot om onze huidige consumptiecultuur straffeloos aan te houden, en groene energie is hooguit een mondmasker en absoluut geen vaccin in de strijd tegen de ecologische apocalyps die op ons afkomt. Hoe we dan precies minder moeten verbruiken, en vooral, hoe we de demografische cijfers naar beneden halen, zegt hij er evenwel niet bij. Enkele vooraanstaande klimaatwetenschappers reageerden misnoegd op de film, die serieuzer, saaier en somberder is dan hetgeen we van Moores met humor besprenkelde pamfletten gewend zijn. Volgens hen is Planet of the Humans misleidend, leugenachtig en bij uitbreiding gevaarlijk omdat de film de groene inspanningen waartoe regeringen en consumenten zich de afgelopen jaren verbonden in twijfel trekt en teniet dreigt te doen. Gibbs foefelt met achterhaalde en/of verdraaide cijfers en statistieken om zijn boodschap te verspreiden, waarschuwen ze. Ook milieuactivisten en andere filmmakers wezen erop dat hij de standpunten overneemt van de fossiele industrie die al jaren duurzame energie afschildert als onbetrouwbaar en inefficiënt. Gibbs en zijn getuigen verwijten de groene lobby echter net hetzelfde gemarchandeer met een ongemakkelijke waarheid, maar dan met als doel mensen de illusie geven dat zonnepanelen en windturbines de wereld zullen redden. Volgens Gibbs is dat een vorm van zinsbegoocheling die minstens zo gevaarlijk is. Wie heeft gelijk? Wie zit fout? Uiteraard kunnen enkel wetenschappers en experten er zinnige, inhoudelijke uitspraken over doen, terwijl je als leek alleen maar kunt luisteren, filteren en hopelijk de juiste conclusies trekken. Maar dat de discussie urgent is, betwist niemand, behalve Jean-Marie Dedecker misschien. IJskappen smelten, de aarde warmt op, soorten verdwijnen, het regenwoud slinkt. Je hoeft geen diploma te hebben om die beangstigende feiten te kunnen verifiëren, en ze glashard ontkennen is je kop metersdiep in het zand steken. De eindboodschap van Gibbs en de milieubeweging blijft min of meer dezelfde: oneindige groei op een eindige planeet is collectieve zelfmoord. En of het nu met een diesel- of een elektrische wagen is: als we nu niet schakelen is het te laat. Tot die conclusie kwam - de loge hebbe zijn ziel - Etienne Vermeersch al in 1988 in zijn ecofilosofisch essay De ogen van de panda, waarin hij waarschuwde voor overbevolking en overconsumptie. Idem dito voor documentairefilmessayist Godfrey Reggio met Koyaanisqatsi (1983) , nog altijd de moeder aller ecofilms. Helaas raakte het rationele debat over milieuethiek en de inrichting van ons maatschappelijk bestel ook bij Planet of the Humans ondergesneeuwd. Wat je kreeg, was de zoveelste welles-nietesruzie tussen believers en non-believers met de obligate politieke recuperatie tot gevolg. Als de film één ding duidelijk maakt, dan wel dat velen in dit post-truth-tijdperk hun eigen grote gelijk laten primeren op het bredere, maatschappelijke perspectief, of desnoods op de naakte feiten. Natuurlijk is Al Gore, die de klimaatopwarming in 2006 mee op de mainstream-agenda heeft gezet met de Oscarwinnende documentaire An Inconvenient Truth, ook een hypocriete lapzwans die zijn mediabedrijf verkocht voor de oliedollars van Al Jazeera en lobbyde voor de suikerrietindustrie die het Amazonewoud kaal kapt. Natuurlijk moet de groene sector oppassen voor corruptie nu ze zelf een miljardenbusiness is geworden en de geldgieren van Wall Street op de loer liggen. En natuurlijk doet Gibbs aan nattevingeronderzoek, goochelt hij met cijfers en heult hij strikt genomen zelf mee met 'de vijand', al was het maar door archiefbeelden aan te kopen bij Koch Industries, rabiaat rechtse petroleumbonzen. But clowns to the left, and jokers to the right: dat is niet de essentie. Het maakt de alarmerend hoog oplopende energierekening van Moeder Aarde niet, en een oplossing voor de ecologische problemen die zich als een permanente pandemie over de planeet hebben verspreid komt er geen kilowatt door dichterbij. Olie op het vuur gooien in plaats van te helpen blussen: het is wat Gibbs en Moore doen met hun tendentieuze film die logischerwijs weerwerk kreeg. Maar het is ook waar de groene-energielobby zich weleens aan bezondigt met haar ecologisch McCarthyisme. En dat de klimaatnegationisten in Moore nu plots een strijdmakker herkennen is ronduit potsierlijk. Alle partijen lijken in hun bekeringsdrift te vergeten dat men de massa in het midden moet overtuigen en verenigen wil men tot duurzame oplossingen komen. En daarvoor zullen ook eigen dogma's moeten sneuvelen en inzichten en gedragspatronen worden bijgestuurd. Niet uit idealisme, maar uit pragmatisme, en finaal ook darwinisme. Defaitisme is daarbij even kwalijk als eeuwige discussies over cijfers en recuperatie, maar als hoop 'a moral duty' is in de strijd tegen pandemieën, is ze dat ook in de strijd tegen de klimaatopwarming. Als de menselijke natuur ons tot het spreekwoordelijke point of no return gebracht heeft, moet ze misschien ook in staat geacht worden om ons daaroverheen te tillen door rationele argumenten te paren met irrationele hoop. Of zoals de Italiaanse denker Antonio Gramsci zei: 'Ik ben een pessimist door mijn verstand, maar een optimist omdat ik dat zo wil.'