WALTER: Fucking nazis.
...

WALTER: Fucking nazis. DONNY: They were nazis, Dude? WALTER: Come on, Donny. They were threatening castration. Are we splitting hairs here? DUDE: They were nihilists, man. They kept saying they believed in nothing. WALTER: Nihilists? Fuck me. Say what you want about the tenets of National Socialism, Dude, at least it's an ethos. Geen nevenpersonages die er bekaaider afkomen in het universum van de gebroeders Coen dan Karl Hungus, Kieffer und Franz uit The Big Lebowski, 'who believe in nothing. Nothing!' Teen afgesneden. Bowlingbal in het kruis gekregen. Bowlingbal in het gezicht. Oor afgebeten. Herhaaldelijk uitgelachen. En dat uiteindelijk allemaal voor niets. Geen losgeld. Geen johnson. Niets. 'It's not fair', zucht Karl Hungus tegen The Dude op de parking van de bowlingzaal. 'Fair?' antwoordt Walter. 'Who's the fucking nihilist here? What are you, a bunch of fucking crybabies?' Het was na Hail, Caesar! dat we nog eens aan ze nihilists moesten denken. Alles aan de nieuwe Coenfilm, waarin Josh Brolin een fixer in het Hollywood van de fifties speelt, is vintage Ethan en Joel. Er is het uitvoerige spel met klassieke filmgenres, van musicals tot sandalenepossen. Er is de poging tot afpersing, zo vaak in het universum van de Coens de trigger die de plot in gang zet. Er is de obligate shot van een koffer vol geld. Er is een nieuwe reeks ridicule haarstijlen - en dan in het bijzonder de geblondeerde Disneycoupe van Channing Tatum. Er is Frances McDormand. Altijd is er Frances McDormand. Maar wat finaal het meest herkenbaar is, is die vraag in je achterhoofd terwijl de aftiteling loopt: 'Euh, wat was nu precies hun punt?' Het is stilaan het meest coeneske dat de Coens doen. No Country for Old Men, Burn after Reading, A Serious Man, Inside Llewyn Davis: stuk voor stuk zijn het uitstekende films. Maar stuk voor stuk zijn het ook films waarbij je achteraf als kijker met een raar, onbestemd gevoel zit. Alsof je de clou van het verhaal hebt gemist. Sinds Hail, Caesar! is het ons duidelijk wat die clou is. Het punt is dat er geen punt is. De Coen Brothers zijn zélf fucking nihilists geworden. Achteraf gezien is het makkelijk om te reconstrueren hoe dat gebeurd is. Ter hoogte van No Country for Old Men hebben de Coens een afslag genomen in hun filmografie. Die western, hun meest bekroonde film, draaide om het kat-en-muisspel tussen Josh Brolin en Javier Bardem, gezegend met een wuft bloempotkapsel en een cattle gun. Driekwart van de film bouwen de Coens op naar de confrontatie tussen de goede en de slechte. Om dan de finale shoot-out níét te tonen. Uit het niets wordt het scherm zwart in de aanloop naar dat vuurgevecht. De dood van het hoofdpersonage gebeurt off-screen. En dát is hoe je je kijker in het gezicht uitlacht. Acht jaar later zijn we er nog altijd niet uit of dat briljant, geschift of toch een beetje teleurstellend was. Maar het punt van de Coens was duidelijk: de plot doet er niet toe. De plot heeft er nooit toe gedaan. In Burn after Reading, hun daaropvolgende film, maakten ze dat nog explicieter. De exacte verhaallijnen van die waanzinnige misdaadkomedie gaan we niet eens probéren uit de doeken te doen. Het volstaat om te weten dat er heel erg veel intriges zijn, de CIA er iets mee te maken heeft, Brad Pitt rondloopt met très metroseksuele mèches en er op een bepaald moment een gemachineerde dildostoel opduikt. Hoe meer de film vordert, hoe meer alles uit de hand loopt. En wanneer niemand nog weet wie nu precies wie aan het belazeren is, eindigen de Coens met een conversatie tussen J.K. Simmons en een CIA-beambte. 'What did we learn, Palmer?' 'I don't know, sir.' 'I don't fucking know either. I guess we learned not to do it again. But I'm fucked if I know what we did.' 'Yes, sir. It's, uh, hard to say.' Einde film. Wij grijpen niet graag terug naar filosofen, maar aan wie je sinds No Country for Old Men veruit het vaakst in Coenfilms denkt, is Friedrich Nietzsche. Een man met een snor die zelfs de gebroeders 'te gimmicky' zouden vinden, maar vooral: de Duitser die ooit schreef dat God dood is. Een zinnetje waar hij niet zozeer iets over religie dan wel over moraliteit mee wilde zeggen. Zonder God is er geen objectieve moraal. Zonder objectieve moraal is er geen goed, geen kwaad en geen rechtvaardigheid. 'Hoe zullen we onszelf nu troosten?' schreef Nietzsche. Het is de vraag waar de Coens nu al een decennium lang een antwoord op aan het formuleren zijn. Ergens heeft dat nihilisme altijd in het universum van de Coens rondgewaard. bekijk Blood Simple en je ziet dat hun personages enkel gedreven worden door stom toeval, pech of stupiditeit. Bekijk The Man Who Wasn't There en je ziet dat ze er een sardonisch genoegen in scheppen om zelfs hun goede helden naar de elektrische stoel te leiden. Bekijk The Big Lebowski - nog maar eens - en je ziet dat ze geen moeite doen om een punt te maken (behalve dan dat tapijt dat de hele kamer aan elkaar knoopte). Algehele, amorele en absurde zinloosheid is altijd hun ding geweest. Maar sinds No Country for Old Men zijn ze dat ook expliciet aan de kijker duidelijk beginnen te maken. Anders dan vroeger zijn ze een soort narratief nihilisme gaan hanteren, met plotlijnen die de verwachtingen van de kijker onderuithalen en filmeindes die geen enkele closure verschaffen. Hun vorige film, het opvallend sombere Inside Llewyn Davis, is daar het hoogtepunt van. De hele film lang krijgen we Oscar Isaac te zien, die een dakloze folkmuzikant in de sixties speelt, wachtend op zijn big break. Die big break krijgt hij na veel omzwervingen, wanneer hij auditie mag doen voor een labelbaas. Bij élke andere regisseur is dat de climax van de film. Het moment waarop alle tegenslagen en alle moeite eindelijk hun vruchten afwerpen. Het moment waarop de held eindelijk beloond wordt. Niet bij de Coens. Als Llewyn Davis klaar is met zijn nummer, reageert de platenbaas met een kurkdroog 'I don't see a lot of money here'. Weg droom. De film eindigt finaal met Davis die buiten een club in elkaar wordt geslagen, terwijl binnen een piepjonge Bob Dylan op het podium kruipt. Davis blijkt bovendien vast te zitten in een ellips: hij zal opnieuw en opnieuw door het leven moeten spartelen, opnieuw en opnieuw mislukken en opnieuw en opnieuw in elkaar geslagen worden. Zoals we al zeiden: fucking nihilists. En toch. Anders dan die andere filmische nihilist, Quentin Tarantino, bestaat het immorele, zinloze universum van de Coens niet uit leegte. Het punt van de Coens is dat er geen punt is, maar dat is niet de hele boodschap. Het grootste verwijt dat de Coens krijgen, is dat hun nihilisme cynisch en misantropisch is. Dat is het niet. In A Serious Man gaat het hoofdpersonage de hele film lang op zoek naar antwoorden op de grote vragen van het leven. Wat het nut is van alles. Waarom alle pech hem overkomt. Het enige dat in de buurt van een antwoord komt, krijgt hij van een stokoude rabbi, die hoestend Jefferson Airplane citeert. 'When the truth is found to be lies. And all the joy within you dies. Then what?' Waarna hij zelf een antwoord geeft. 'Grace Slick. Marty Balin. Paul Kanta. Jorma... Something. These are the members of the Airplane.' Het punt van de Coens is niet dat het bestaan nutteloos is. Het punt van de Coens is dat de grote filosofische vragen nutteloos zijn. Meer dan haat voor de mens koesteren ze een voorliefde voor de banaliteit en de absurditeit van het bestaan. En voor de humor. DONNY: Are they nazis, Walter? WALTER: No, these men are nihilists. Nothing to be afraid of. They are cowards.