Hoewel ze naar verluidt merkwaardig weinig gevoel voor humor had, heeft de ironie Nico, in 1938 geboren als Christa Päffgen in de omgeving van Berlijn, een leven lang achtervolgd. Ze was een brunette die succes had zolang ze blond was, een gewillige minnares wier hart op slot bleef, een muzikante die in de anonimiteit verdween toen ze haar eigen muziek begon te maken en een junkie die aan haar einde kwam toen ze na vijftien junkiejaren de naald had afgezworen.
...

Hoewel ze naar verluidt merkwaardig weinig gevoel voor humor had, heeft de ironie Nico, in 1938 geboren als Christa Päffgen in de omgeving van Berlijn, een leven lang achtervolgd. Ze was een brunette die succes had zolang ze blond was, een gewillige minnares wier hart op slot bleef, een muzikante die in de anonimiteit verdween toen ze haar eigen muziek begon te maken en een junkie die aan haar einde kwam toen ze na vijftien junkiejaren de naald had afgezworen. De vroege jaren laten zich vlot samenvatten. Op haar zeventiende was Nico het populairste model van Berlijn, waarop ze naar modestad Parijs trok. Van daaruit ging het, na een eerste tussenstop in New York, naar Italië, waar ze meespeelde in La dolce vita (1960) van Federico Fellini. De legende wil dat de grote Italiaan voor de lange Duitse een mooie carrière op het oog had, maar haar ontsloeg omdat ze zo ontzettend lui was. Niet erg: ze kon toch niet acteren. In 1962 beviel Nico van haar enige zoon. Drie jaar later maakte ze met de hulp van haar vriendje, Rolling Stone-gitarist Brian Jones, de wegwerpsingle I'm Not Saying. Kort daarop raakte ze onder de invloed van Andy Warhol en zijn Factory, waar ze met The Velvet Underground & Nico een enkeltje richting eeuwig leven boekte. Later dat jaar werd haar het solodebuut Chelsea Girl opgedrongen, waarna ze, in de woorden van Andy Warhol, 'een dikke junkie werd en verdween'. Toen de teruggetrokken student James Young haar in november 1981 leerde kenden, was die 'dikke junkie' 'een tamelijk forse vrouw van rond de veertig met eigenaardige, blauwgrijze ogen, die als een landkaart van de hel met rode adertjes waren doorkruist'. Young werd de toetsenist en enige constante in een wisselend amalgaam van junkies, freaks en opportunisten die met Nico tussen 1981 en 1986 Europa, de States en het Verre Oosten doorkruisten. In zijn essentiële boek Nico, het slotakkoord doet hij verslag van haar eindeloze calvarietocht van verlopen club naar uitzuiptent: ze was voortdurend op zoek naar een vuistvol dollars en de volgende shot. Daarbij vallen twee dingen op. Een: Nico was effectief een dikke, anonieme junkie geworden, die bijna uitsluitend de spuit najoeg. En twee: ze was een unieke rasmuzikante, aartslui maar doortrokken van een aangeboren talent dat, in tegenstelling tot haar looks, niet door de drugs klein te krijgen was. Nico's lichaam was in de sixties niet bepaald een oninneembare burcht. Alain Delon, Brian Jones, Bob Dylan, Jackson Browne, Leonard Cohen, Iggy Pop, Jim Morrison, Lou Reed en John Cale schuilden in haar armen tijdelijk voor de regen, net als - volgens de legende - Jeanne Moreau en Coco Chanel. Delon schonk haar een zoon en Dylan de song I'll Keep It with Mine. Van Cohen beweerde ze dan weer dat hij eens haar arm gebroken had, maar het was John Cale die voorbij de vleselijke lusten als enige een langdurige creatieve relatie met haar aanging. De Spaanse journalist Ignacio Julià, die van de studie van The Velvet Underground en zijn afzonderlijke componenten zijn levenswerk heeft gemaakt, heeft daar een mooie verklaring voor. Volgens hem vertegenwoordigden de Duitse Nico en Welshman Cale de Europese fractie van de groep. Zij zorgden voor de tegenstroom die hun groepsgeluid zo bijzonder maakte, een koortsachtige synthese van de nog jonge Amerikaanse rock-'n-roll en de klassieke traditie van de oude wereld. John Cale zette al zijn klassieke kunnen in op de drie platen die Nico's voornaamste nalatenschap bevatten: The Marble Index (1968), Desertshore (1970) en The End... (1974). De eerste werd door producer Frazier Mohawk, die later zou toegeven dat hij Cale vooral zijn gang liet gaan, als volgt omschreven: ' The Marble Index is geen plaat waar je naar luistert, het is een gat waar je in valt.' Hier vond Nico, die haar lokken niet langer blond verfde, in meer dan een opzicht haar stem. De lijzige voordracht van Chelsea Girl en haar werk met The Velvets maakte plaats voor een misthoorn die door een donker Midden-Europees bos van viola, bas, piano en klokkenspel sneed. Dat bos had Cale aangelegd, maar het duistere hart van de songs was eindelijk helemaal van haarzelf. No One Is There, Ari's Song, Evening of Light: The Marble Index markeert de geboorte van een muzikante die na twaalf stielen eindelijk haar roeping gevonden had. En zich vervolgens vol overgave in nieuwe ongelukken zou storten. In 1969 begon Nico een langdurige relatie met de Franse cineast Philippe Garrel, de enige man van wie ze naar eigen zeggen ooit echt had gehouden. Uit de films die ze samen maakten bleek eens te meer dat er geen geweldige actrice aan haar is verloren gegaan. Een paar van de nummers die ze voor de soundtrack van La cicatrice intérieure schreef, belandden in 1970 wel op Desertshore, indien niet haar beste, dan toch zeker haar mooiste plaat. In vergelijking met The Marble Index is het pop. In werkelijkheid had James Young deze plaat in gedachten toen hij schreef dat in Nico's songs 'folkmelodieën, Duitse ländler en koralen van Bach doorschemerden'. Voor The Falconer en Afraid schreef John Cale enkele van zijn beste pianopartijen, maar de plaat wordt gedomineerd door de stem van Nico en haar harmonium. Voor wie de echte Nico wil leren kennen, is Desertshore de ideale instapplaat. Nico had een hekel aan interviews, die steevast over The Velvet Underground, Andy Warhol en haar beroemde minnaars gingen. Als ze er wel gaf, zou ze haar hele carrière lang de naam vermelden van de ex die erop had aangedrongen dat ze haar eigen muziek zou maken: Jim Morrison. De zanger van The Doors noemde ze 'de enige persoon met wie ik ooit iets gemeen heb gehad', en als je, bijvoorbeeld in een door YouTube bewaard tv-interview uit 1985, haar blik ziet wanneer ze voor de zoveelste keer de geboortenaam van The Lizard King uitspreekt, krijg je gevoel dat ze nooit over zijn dood is heen geraakt. Haar plaat The End... uit 1974 is van Morrisons geest doortrokken en eindigt met een versie van het gelijknamige nummer van The Doors waarin de chanteuse de dood tien minuten lang recht in de ogen kijkt, tot die de blik afwendt. Het voor Morrison geschreven You Forgot to Answer, een van haar mooiste liedjes, gaat dan weer over de dag waarop hij stierf. Volgens de overlevering heeft Nico hem toen proberen te bellen, maar hij nam de telefoon niet op en belde niet terug. In een van de vele troosteloze passages van Nico, het slotakkoord rijdt de band in een busje door Polen. Het is 2 november, Allerzielen, en het leven lijkt zich van de dorpskernen te hebben verplaatst naar de kerkhoven, die dichtbevolkt zijn met in kaarslicht oplichtende gezichten. Na elke helverlichte begraafplaats wordt de nacht weer zwart, en het is in die donkerte dat de lethargische Nico plots opspringt omdat ze Jim Morrison gezien heeft. Op 11 augustus 1962, op haar drieëntwintigste, werd Nico moeder. Haar zoon Ari werd nooit erkend door de vader, de Franse acteur Alain Delon, hoewel hij opgroeide tot zijn evenbeeld. Nico zelf had het ook al niet in zich om de kleine Ari op te voeden, en dus werd hij op z'n vierde geadopteerd door de moeder van Delon, die de jongen ook haar familienaam schonk: Boulogne. De acteur zou daarna nooit meer met zijn moeder spreken. Nico is ook later niet echt tot een moederkloek uitgegroeid, al hield ze zielsveel van haar zoon. Ze schreef Ari's Song en My Only Child voor hem, maar leek het te druk met zichzelf te hebben om zich echt om de jongen te bekommeren. En ach, Bowie schreef ook Kooks voor zijn zoon om vervolgens zijn eigen cocaïnedroom na te jagen. Nico liet haar zoon kennismaken met heroïne. Hij was toen tweeëntwintig. In Nico, het slotakkoord, waarin Ari wordt opgevoerd als de verwende, verwarde Le Kid, delen ze hun naalden. Hij woonde ook met haar op Ibiza: op de dag van haar dood hadden ze geruzied, waarop Nico op de fiets naar het dorp trok, om hasj te scoren. Pas de volgende dag vond hij haar terug in een van de ziekenhuizen van het eiland. Een ongeïdentificeerd lijk. Wanneer is Nico aan de heroïne geraakt? Niet voor de jaren zeventig, wordt gezegd, toen ze bij Philippe Garrel woonde. In de sixties kon ze het nog bolwerken met wodka en lsd. Elders wordt beweerd dat het opnameproces van The Marble Index al geplaagd werd door haar verslaving. Feit is dat Nico minstens vijftien jaar een heroïnejunkie is geweest. Het verklaart deels haar magere output - vijf platen in zeventien jaar -, maar je tegelijk vraag je je af of hetgeen haar naar de drugs dreef, niet ook verantwoordelijk was voor de uitzichtloosheid van haar songs. We zullen het nooit zeker weten, want ondanks haar vlot toegankelijke lijf is de ziel van Nico altijd een ondoordringbaar woud gebleven. Behalve misschien voor wie naar haar platen luistert. In een interview met Ignacio Julià uit 1978 liet ze zich na een paar glazen gin het volgende ontvallen: 'Je valt als artiest altijd samen met je kunst. Je hoeft het dus niet over je persoonlijke leven te hebben.' Het jaar daarna speelde ze in Parijs haar harmonium, dat volgens kenners geen harmonium maar een Indisch pomporgel was, kwijt. 'Gestolen', zei ze, maar iedereen weet dat junkies desnoods hun kind zouden verpanden voor een shot. Patti Smith vond het voor haar terug, wilde er geen geld voor en heeft het verhaal achteraf nooit bevestigd of ontkend. Wat Smith op dat moment wél heeft gedaan, is de identiteit van Nico intact houden en ervoor zorgen dat zij en haar pomporgel in de jaren tachtig nog twee platen maakten, Drama of Exile (1981) en Camera Obscura (1985). Een nieuwe generatie zwartkijkers als Bauhaus en Siouxie and the Banshees omarmden haar en jongeren van Manchester tot Tokio aanhoorden haar misthoorn, voor ze zich in het burgerleven stortten. Op de bus met James Young en de groep vervulde de vrouw die naar eigen zeggen een man had willen zijn bovendien een heel oude droom: ze werd eindelijk een van de jongens. Op haar begrafenis in Grunewald-Forst, in Berlijn, waren naast een groot aantal van haar sjofele reisgezellen ook Le Kid en Philippe Garrel aanwezig, net als haar Duitse tante Helma, die iedereen achteraf op drankjes trakteerde en vertelde 'hoe aardig de kleine Christa als kind was geweest'. De kliek uit New York, die een jaar eerder Andy Warhol had begraven, gaf forfait. Op de bewering dat Nico's muziek voer voor snobs is - je hoort de gekste dingen - antwoorden wij graag met een laatste citaat van James Young: 'Als gelukkig, aangepast, fatsoenlijk, weldenkend, sociaalvoelend mens stel je je waarschijnlijk tevreden met een preek en een zegening van Sting. Ben je daarentegen volledig opgefokt, dan is de muziek van Nico echt iets voor jou.' De stelling dat ze haar allerbeste plaat al in 1967 met The Velvet Underground maakte, klopt dan weer wel, maar laten we elkaar geen Serge noemen: dat geldt net zo goed voor John Cale en Lou Reed.