Alle wegen leiden naar Rome en tegenwoordig zitten die volgestouwd met legioenen Fiats en cohorten scooters. Terwijl de taxi zich aan een slakkengang toeterend door het verkeer wurmt, nestelt de zon zich op mijn schoot. Eenmaal binnengeloodst op het juiste netwerk, piept mijn telefoon: de assistente van Bernardo Bertolucci heet me welkom in Rome en informeert me dat het gesprek iets later dan gepland zal doorgaan. Geen nood, op een terras aan de Via Garibaldi verwerk ik de vlucht met een kopje espresso. Om me heen hoor ik overwegend Engels. Vlakbij ligt de vermaarde John Cabot University, een Amerikaanse instelling genoemd naar een 15e-eeuwse Italiaanse ontdekkingsreiziger die vooral in Engelse dienst werkte. Naast me genieten twee Amerikaanse studenten van hun eerste bier terwijl ze cynisch tegen elkaar op pochen over hun studieleningen: 'Ik ben net de twintig gepasseerd en heb 150.000 dollar schulden. Wanneer ik klaar ben met studeren, heb ik een jaar respijt en daarna mag ik beginnen af te betalen.' Zijn kompaan noemt een hoger bedrag: 'Eigenlijk is het pervers; nu al zijn we slaven van het systeem. Maar gelukkig gaat een vriend me een aanbeveling geven bij Price Waterhouse Coopers in New York, met wat geluk kan ik mijn schulden afbetalen voor mijn veertigste. Tenzij de rentes nog meer stijgen.'
...

Alle wegen leiden naar Rome en tegenwoordig zitten die volgestouwd met legioenen Fiats en cohorten scooters. Terwijl de taxi zich aan een slakkengang toeterend door het verkeer wurmt, nestelt de zon zich op mijn schoot. Eenmaal binnengeloodst op het juiste netwerk, piept mijn telefoon: de assistente van Bernardo Bertolucci heet me welkom in Rome en informeert me dat het gesprek iets later dan gepland zal doorgaan. Geen nood, op een terras aan de Via Garibaldi verwerk ik de vlucht met een kopje espresso. Om me heen hoor ik overwegend Engels. Vlakbij ligt de vermaarde John Cabot University, een Amerikaanse instelling genoemd naar een 15e-eeuwse Italiaanse ontdekkingsreiziger die vooral in Engelse dienst werkte. Naast me genieten twee Amerikaanse studenten van hun eerste bier terwijl ze cynisch tegen elkaar op pochen over hun studieleningen: 'Ik ben net de twintig gepasseerd en heb 150.000 dollar schulden. Wanneer ik klaar ben met studeren, heb ik een jaar respijt en daarna mag ik beginnen af te betalen.' Zijn kompaan noemt een hoger bedrag: 'Eigenlijk is het pervers; nu al zijn we slaven van het systeem. Maar gelukkig gaat een vriend me een aanbeveling geven bij Price Waterhouse Coopers in New York, met wat geluk kan ik mijn schulden afbetalen voor mijn veertigste. Tenzij de rentes nog meer stijgen.' Een Zweedse dame mengt zich in het gesprek, ze wil weten hoe moeilijk het is om op John Cabot binnen te raken, of de Engelse toelatingsproef haalbaar is. Gnuivend gaan ze verder, noemen de Europese Unie een verdoemd project, en verwelkomen dan twee Oost-Europese blondines aan hun tafel. De geilheid druipt van hun complimenten, en mijn gedachten dwalen af naar The Dreamers, een minder bekende Bertolucci waarin drie jonge studenten elkaar seksuele experimenten opleggen terwijl op de achtergrond de revolte van mei 68 woedt. Seks en politiek, ze gaan hand in hand in het universum van de maestro. 'Ik ben een kind van de jaren zestig', zo zal hij later vertellen. 'We geloofden oprecht in de toekomst, die straalde en wijd open lag. Achteraf gezien was die hoop onterecht, maar op dat moment... zo'n energie, zo'n ongebreidelde passie - niets leek ons tegen te houden.' Zijn assistente ontbiedt me een paar deuren verderop. Ik reken de belachelijk dure koffie af, wens de Amerikanen nog een fijne toekomst en flik mijn sigaret in een rioolputje. Ik moet wachten bij een schemerige portiersloge. Hoge plafonds, dikke muren, weinig ramen, een standbeeld in het kleine atrium, een flets mozaïek dat een lusthof moet voorstellen, maar ook binnenschuifelende oude dames met paarse kapsels en protserige zonnebrillen, op iPhones swipende maatpakken en het geratel van een drilboor - zelfs in deze doezelige hal blijft Rome dé belichaming van de eeuwige stad. De assistente komt me halen en via een binnentuin loodst ze me binnen in het appartement van de meester. 'Goh, je hebt geluk met het weer. Het bleef hier maar koud. Een verschrikkelijke lente.' Ik zwijg zedig over onze maandenlange sneeuw en regen, en terwijl ze in een vertrek verdwijnt, neem ik de ruimte op. Het hele appartement ligt bezaaid met boekenstapels. Klassieke titels vooral en op een glazen salontafel een catalogus van een Vermeer-tentoonstelling; Bertolucci zal niet de enige filmmaker zijn die gefascineerd is door Vermeers oog voor compositie en knap lichtgebruik. Even vraag ik me af waarom één muur helemaal wit geschilderd is, maar dan merk ik in de tegenovergestelde wand een rond gat op waarachter een blauwe lens glimt: de volledig rechthoekige woonkamer functioneert ook als een privécinemazaal, compleet met kloeke surroundboxen en de mogelijkheid om het enige raam hermetisch te verduisteren. Het is de natte droom van elke filmliefhebber die het beu is om in megacomplexen annex supermarkten tussen luidruchtige tieners te gaan zitten om weer eens een filmavondje verknoeid te zien. Achter me schuift een deur open en daar rolt Bertolucci binnen. Al een paar jaar leeft de filmmaker vastgekluisterd aan een rolstoel, wegens almaar ernstiger wordende rugproblemen. Tweeënzeventig is hij ondertussen maar ondanks zijn leeftijd en beperkte mobiliteit blijft hij kwiek lachen en nodigt hij me uit aan de ovalen eettafel. Een assistent brengt ons koffie en gekoeld water, en terwijl hij zijn lichaam in het stalen kader schikt, steken we van wal. BERNARDO BERTOLUCCI: Eerlijk? Ik dacht dat het gedaan was met films maken. Mijn rug speelde me steeds vaker parten, de pijn was vaak niet te harden. Maar dit project, de verfilming van de roman Jij en ik van Niccolò Ammaniti, was een haalbare kaart. Net als The Dreamers speelt de actie zich grotendeels af in een beperkte omgeving, met slechts een handvol acteurs. Toen ik het boek las, zag ik er meteen een film in. Alleen het einde stond me niet aan. Niet dat ik er een happy end van wilde maken, hoogstens iets minder unhappy. Ammaniti zelf ontmoette ik in New York, in het MoMA, waar een retrospectieve over mijn oeuvre liep. Hij kon leven met een ander einde, meer zelfs: hij heeft meegeschreven aan de film, zijn naam staat op de credits. BERTOLUCCI: Ik werk graag met jonge mensen. Niet alleen houden ze me jong, maar ze zijn enthousiast en brengen me in contact met nieuwe technologieën. Zo hebben ze onlangs The Last Emperor voorzien van 3D en dat werkte fantastisch. Anderzijds ben ik blij dat ik het origineel in 2D heb gemaakt. Want als je over nieuw speelgoed beschikt, wil je daar ook mee pronken en zou je geneigd zijn shots op te nemen die al te nadrukkelijk het effect beklemtonen. Eigenlijk heb ik altijd met redelijk jonge crews gewerkt. Kijk naar Novecento: Robert De Niro, Gérard Depardieu, Donald Sutherland - allemaal piepjong, klaar om de wereld te bestormen. Wisten wij veel wat we toen deden. Maar dat is het voordeel van jeugd: je denkt net iets minder na en doet het gewoon. BERTOLUCCI: De liefde voor de literatuur heb ik van mijn vader (Attilio Bertolucci, nvdr.). Die was een beroemde dichter en recensent. Natuurlijk wilde ik in zijn voetsporen treden - ernstig aan een bureau zitten en poëzie schrijven, er leek geen ander pad - maar hij nam me ook vaak mee naar de cinema en was bevriend met Pier Paolo Pasolini, die zelf ook literator was. Het was Pasolini die me aanmoedigde om mijn verzen te publiceren. Niet zonder resultaat. Zij het dat ik ondertussen ook zijn assistent was geworden en zo verliefd werd op het filmvak; personages die daarvoor slechts uit woorden bestonden tot leven zien komen, van vlees en bloed zien worden, dat is een magie die me nooit heeft losgelaten. Doch, de literatuur is me altijd na aan het hart gebleven, de meeste van mijn films zijn boekverfilmingen.***Van Pasolini heeft Bertolucci ook de politieke ondertoon in zijn films geërfd. Dat, en een ongewilde voorkeur voor controverse. Net zoals Pasolini's Salò (1975), zijn bewerking van De Sades schandaalroman De 120 dagen van Sodom, leidde Bertolucci's Last Tango in Paris tot een storm van verontwaardiging. 'Wat een heisa was dat! Ik kon het nauwelijks geloven. De jaren zestig waren al voorbij, de seksuele revolutie voltrokken. Maar ik heb de conservatieve krachten onderschat. De film werd verboden en ik werd aangeklaagd. Ik weet nog hoe de openbare aanklager de beschuldiging voorlas. Hij gaf zo'n gore synopsis van de film, alsof ik een derderangs pornootje had gedraaid - zelfs ik vond het obsceen. En de rechters waren echt van de oude stempel. Uiteindelijk werd ik vijf jaar uit mijn burgerrechten ontzet. Daar ben ik pas achter gekomen toen ik een paar jaar later wilde gaan stemmen en de gemeenteambtenaar me een stembiljet moest weigeren: "Maar meneer Bertolucci, u hebt helemaal geen stemrecht." Gelukkig waren mijn kijkers creatief. Ook in Spanje, onder het Franco-regime, was de film verboden, maar niet in Frankrijk. Elke avond zat de trein richting Perpignan, net over de grens, vol met Spanjaarden die in een kleine cinema clandestien Last Tango in Paris gingen bekijken.'Nu lijkt het een grappige anekdote, en hoewel de controverse Bertolucci geen windeieren legde, keerden zowel Marlon Brando als Maria Schneider zich af van de schandaalfilm. Schneider, nauwelijks twintig toen ze Last Tango deed, voelde zich misbruikt door Bertolucci, ook omdat hij haar niet vooraf had ingelicht over de hardheid van bepaalde scènes. In The Dreamers oordelen de jongelui, ondanks hun adoratie voor films, dan ook hard over regisseurs: 'Het zijn criminelen, voyeurs.' Ik kaats zijn eigen citaat terug en hij knikt: 'Misschien wel ja. Ken je Barthes, de Franse filosoof? In zijn boek over fotografie, Camera lucida (1980), reflecteert hij uitgebreid over de kijker. Regisseurs zijn inderdaad voyeurs: ze kijken, ongezien. Je haalde al aan dat ik in mijn films veel spiegels gebruik - zelf was ik dat vergeten - maar zijn spiegels niet bij uitstek het bewijs van onze voyeuristische kern? Elke morgen als je in de badkamer staat, bekijk je jezelf, en je kunt dat nooit helemaal onbewust doen. En criminelen? Tja, ik moet toegeven dat ik bepaalde scènes in mijn eigen films niet meer kan aanzien - te indringend, te gewelddadig. Zoals in Novecento, wanneer Donald Sutherland die jongen doodt, of de heroïneshots in La Luna. Dan moet ik wegkijken. Spijt heb ik daar niet van, natuurlijk niet, dat zou maar al te erg zijn, maar zelf hoef ik het niet meer per se te aanschouwen. Dat is het voordeel aan ogen: je kunt ze sluiten. Maar regisseurs zijn ook voyeurs in de goede zin, kijkbelust. Nog altijd kan ik met bijzonder veel plezier naar een film kijken. En ja, soms zie ik fouten bij anderen, dat is beroepsmisvorming. Ik ben trouwens een vervelende kerel om tijdens een film naast te zitten: ik babbel constant, wijs van alles aan, geef je porren in je zij, zit hardop te lachen. Neen, mij wil je niet in een cinemazaal meemaken. Het aantal keren dat iemand 'shhhhttt' naar mijn kop heeft geslingerd...' Het begint te schemeren in de kamer, maar Bertolucci maakt geen aanstalten om een lampje te ontsteken. Even lijkt het gebrek aan licht zelfs op zijn gemoed te werken. Nostalgisch richt hij zich tot mij: 'Vanavond word ik op een screening van Pasolini's Medea verwacht. Nadien ga ik in debat met Patti Smith, die het festival cureert. Weet je, Pasolini zal misschien de enige regisseur zijn die bij de doorsneebevolking een belletje doet rinkelen. Al de rest wordt gaandeweg vergeten. Zelfs jij, een jonge boekenfreak, kende de naam Paul Bowles niet. (Bowles schreef de cultroman waar Bertolucci zijn film The Sheltering Sky (1990) op baseerde, nvdr.)' Wanneer ik opmerk dat The Sheltering Sky me aan Fitzgerald deed denken, leeft hij weer op. 'Gaan ze The Great Gatsby niet opnieuw verfilmen? Wie zit er in de stoel? Baz Luhrmann? Wel, het zal alvast héél theatraal worden. Niettemin, ik kijk ernaar uit.' Enthousiast draaft hij door over zijn filmdagen: 'Voor The Sheltering Sky, dat zich in de roman afspeelt in Tanger, zijn we gaan filmen in Marokko. De omstandigheden vielen bijzonder goed mee, aangezien we in de woestijn aan het werken waren, en filmen zelf is voor mij pure ontspanning. Natuurlijk, je moet werken en er komt stress bij kijken, en heel wat organisatie - voor The Last Emperor werkte ik met een team van honderdvijftig westerlingen en daarenboven 150 oosterlingen, ik zweer het je, dan waan je je even god zelf. Maar dat is peanuts vergeleken met het voorbereidende werk. Dat is pas stress. Vooral het geld bijeenkrijgen, daar ben je wel even zoet mee. Geld, het houdt de wereld draaiende, en, als je geluk hebt, ook je camera.'