Chris Craps is filmjournalist en scenarist. U bent zijn artikels misschien al tegengekomen in Het Belang van Limburg en hij timmerde mee aan de scripts voor films als Koning van Katoren en Kruistocht in Spijkerbroek. In 2014 publiceerde hij bovendien De Geheimen van de Cinema, een filmtheoretisch boek over de structuur en betekenis van narratieve film. Met zijn nieuwe boek Ik Ben het Die Hier de Vragen Stelt gooit hij het over een andere, humoristische boeg en verzamelt hij allerlei ludieke anekdotes uit de filmjournalistiek.

Vanwaar het idee om een boek rond humor in de filmjournalistiek te schrijven?

Chris Craps: Omdat er op het eerste gezicht geen verband zou mogen zijn tussen die zaken. Denk bijvoorbeeld aan humor en de auto-industrie, of humor en de wielersport. Af en toe zal daar zich wel eens grappigs voordoen, maar het lijkt eerder uitzonderlijk.

Bij filmjournalistiek is het verschil natuurlijk dat je constant met entertainers te maken krijgt. Het is niet toevallig dat iemand als George Clooney ook in het echte leven heel grappig uit de hoek komt. Die mensen zijn niet voor niets in de entertainmentindustrie beland. Daarnaast krijg je in onze sector ook absurde situaties doordat journalisten met elkaar gaan concurreren tijdens groepsinterviews en dergelijke. Door dat getouwtrek krijg je veel misplaatste uitspraken en gebeurtenissen.

In de inleiding schrijf je dat veel mensen je vorige boek, De Geheimen van de Cinema, te didactisch vonden. Is dit toegankelijkere werk een reactie daarop?

Craps: Goh, gedeeltelijk, maar eigenlijk heb ik het idee om dat te vermelden pas achteraf gekregen. Ik Ben het die Hier de Vragen Stelt is vooral ontstaan door de veranderende situatie in het vak dankzij corona. In de komende weken heb ik bijvoorbeeld vier of vijf persconferenties en interviews gepland staan, en die gaan stuk voor stuk online door. Dat is een heel absurde situatie. Je zit daar naar het scherm te kijken, en het lijkt alsof de persoon waarmee je spreekt een heel andere richting uit kijkt, wellicht omdat de camera niet helemaal juist staat.

Maar op die manier kunnen er vooral veel minder dingen verkeerd lopen. Bovendien hebben de PR-mensen zo meer controle over wat er gezegd wordt, en vooral over wat niet gezegd mag worden. Zo ontstaan er veel minder grappige situaties dan vroeger. Het voelt ook echt alsof we nu een soort eindpunt bereikt hebben, en eenmaal covid overgewaaid is denk ik niet dat we terug naar het oude gaan. De grote sterren gaan niet meer zo veel moeite doen om persoonlijk naar Parijs of Londen af te zakken, enkel nog naar de grote festivals als Cannes.

Het boek is dan wel minder didactisch, maar het lijkt nog steeds op 'de filmnerd' gericht te zijn. De gemiddelde man op de straat zal bijvoorbeeld niet weten wie pakweg Michael Haneke is.

Craps: Ja, absoluut. Laten we het zo stellen: in het begin heb ik een paar pagina's laten lezen door vrienden en collega's, en die zeiden 'mijn tantenonneke gaat hier niets van begrijpen'. Dan heb ik beslist, 'ja, dan is het gewoon geen boek voor haar', en ben ik me gaan focussen op een publiek dat al een voorinteresse in cinema heeft. Mijn vriend weet bijvoorbeeld niet eens wie Kevin Costner is. Als ik ál die figuren moet gaan duiden, dan krijg je een boek van 600 pagina's of meer. Het is een amusant toiletboekje voor cinefielen geworden, waar je eens tien minuten in bladert om het daarna weer weg te leggen. Ontspanning tijdens de inspanning, zeg maar.

Een groot deel van de anekdotes in het boek komt uit je eigen ervaringen, maar er zijn ook wat algemenere mythes en roddels in te vinden. Hoe heb je die verzameld?

Craps: Ik heb een soort zesde zintuig om dat soort dingen te onthouden. Alle sappige verhalen die men mij vertelt, sla ik op. In het boek vind je bijvoorbeeld een anekdote over Robert Redford die overal compulsief te laat kwam en daardoor altijd zo zenuwachtig werd dat hij aan razende snelheden door de bochten van Utah scheurde. Dat is iets dat mijn toenmalige scenarioleraar Frank Daniel mij in de jaren negentig verteld had, en twintig jaar later herinner ik me dat nog steeds. Er zijn ook een hoop van die verhalen waarvan ik niet meer weet waar ik die gehoord heb, maar de roddels zelf staan me nog steeds bij.

Daarnaast laat u ook een paar collega's filmjournalisten aan het woord.

Craps: Dat vond ik heel belangrijk, zo is het een veel rijker boek geworden. Die anekdotes van Erik Van Looy of de quotes van Jan Verheyen bijvoorbeeld, ik vond het heel plezant om die er ook in op te nemen. Zeker ook de verhalen van Kurt Vandemaele waren belangrijk. Die heeft dan wel serieuze dingen gedaan in de filmjournalistiek, maar de manier waarop is heel leuk om over te lezen. Terwijl wij als brave jongetjes zaten te wachten op mogelijkheden om sterren te interviewen, ging hij er als een soort bounty hunter zelf op af.

Doordat ik hen aan het woord laat, schets ik bovendien ook een beeld van een bepaalde generatie filmjournalisten. We worden allemaal al een dagje ouder en onze generatie is stilaan aan het uitdeinen. Ik vond het interessant om dat ook aan bod te laten komen.

Voor sommige andere collega's bent u minder mild. In het boek schrijft u regelmatig over de 'starfuckers', journalisten die vooral op een selfie met de sterren hopen en weinig kwalitatieve journalistiek afleveren.

Craps: Doorheen mijn carrière heb ik me daar heel erg aan geërgerd, en er zijn véél zulke mensen. Zeker omdat het over cinema gaat trek je extra veel zulke mensen aan. In Cannes merk je bijvoorbeeld dat er mensen uitgestuurd worden die niets met film te maken hebben en er niets van weten, wellicht omdat de filmkenner van dat blad dan niet beschikbaar was.

Ik wil niet zeggen dat dat complete idioten zijn, maar ze gedragen zich wel idioot. Het zijn stoorzenders die tijdens round tables of persconferenties domme vragen stellen. Het probleem is dat je maar één stomme vraag nodig heb om een filmster of een regisseur te irriteren, en zo kan de sfeer van een volledig interview meteen omslaan.

Ik herinner me bijvoorbeeld eens toen ik een two on one-interview had, dus met nog een andere collega. Op voorhand vertelde hij me dat hij de film waar het over ging niet eens gezien had. Ik dacht dus dat die tijdens het interview vooral ging zwijgen, maar nee, die stelde de ene vage vraag na de andere. Ik zat daar dan met allemaal materiaal waar ik niets mee kan doen, en zo ging al de ingeplande tijd in rook op. Dan denk ik, heb alsjeblieft een beetje meer respect voor je collega's.

Maar goed, het zal niet snel veranderen. In de komende jaren komen er nog bij, en tijdens groepsinterviews zullen er altijd wel een paar opduiken.

Het laatste hoofdstuk is een fictief interview met William Shakespeare. Vanwaar de keuze om af te sluiten met een icoon uit de literatuur in plaats van de filmwereld?

Craps: Jaren geleden heb ik Kenneth Branagh eens geïnterviewd en dan zijn we beginnen fantaseren over hoe het zou zijn als Shakespeare vandaag de dag nog zou leven en als scenarist zou werken. De Bard is bovendien niet weg te denken uit de cinema. Er bestaan talloze verfilmingen van zijn werk. Binnenkort komt er bijvoorbeeld weer een versie van Macbeth uit, geregisseerd door Joel Coen en met Denzel Washington in de hoofdrol. Ik zie Shakespeare niet als puur literatuur of toneel, hij is ook terecht geannexeerd door de filmwereld.

In Het Belang Van Limburg heb ik al eens een verkorte versie van dit interview gepubliceerd. De redactie heeft me dan wel gewaarschuwd dat ik daarmee moest opletten, omdat sommige lezers misschien niet door zouden hebben dat het fictief was. In zekere zin vind ik dat ook heel toepasselijk om het boek mee af te sluiten. Fake news is in deze tijdens iets heel relevant. Bovendien zijn sommige roddels in mijn boek zeker ook fake news, maar ik denk dat de lezer wel verstandig genoeg zal zijn om door te hebben wat realiteit is en wat niet.

Ik Ben het die Hier de Vragen Stelt is vanaf nu verkrijgbaar.

Chris Craps is filmjournalist en scenarist. U bent zijn artikels misschien al tegengekomen in Het Belang van Limburg en hij timmerde mee aan de scripts voor films als Koning van Katoren en Kruistocht in Spijkerbroek. In 2014 publiceerde hij bovendien De Geheimen van de Cinema, een filmtheoretisch boek over de structuur en betekenis van narratieve film. Met zijn nieuwe boek Ik Ben het Die Hier de Vragen Stelt gooit hij het over een andere, humoristische boeg en verzamelt hij allerlei ludieke anekdotes uit de filmjournalistiek.Vanwaar het idee om een boek rond humor in de filmjournalistiek te schrijven?Chris Craps: Omdat er op het eerste gezicht geen verband zou mogen zijn tussen die zaken. Denk bijvoorbeeld aan humor en de auto-industrie, of humor en de wielersport. Af en toe zal daar zich wel eens grappigs voordoen, maar het lijkt eerder uitzonderlijk. Bij filmjournalistiek is het verschil natuurlijk dat je constant met entertainers te maken krijgt. Het is niet toevallig dat iemand als George Clooney ook in het echte leven heel grappig uit de hoek komt. Die mensen zijn niet voor niets in de entertainmentindustrie beland. Daarnaast krijg je in onze sector ook absurde situaties doordat journalisten met elkaar gaan concurreren tijdens groepsinterviews en dergelijke. Door dat getouwtrek krijg je veel misplaatste uitspraken en gebeurtenissen. In de inleiding schrijf je dat veel mensen je vorige boek, De Geheimen van de Cinema, te didactisch vonden. Is dit toegankelijkere werk een reactie daarop?Craps: Goh, gedeeltelijk, maar eigenlijk heb ik het idee om dat te vermelden pas achteraf gekregen. Ik Ben het die Hier de Vragen Stelt is vooral ontstaan door de veranderende situatie in het vak dankzij corona. In de komende weken heb ik bijvoorbeeld vier of vijf persconferenties en interviews gepland staan, en die gaan stuk voor stuk online door. Dat is een heel absurde situatie. Je zit daar naar het scherm te kijken, en het lijkt alsof de persoon waarmee je spreekt een heel andere richting uit kijkt, wellicht omdat de camera niet helemaal juist staat. Maar op die manier kunnen er vooral veel minder dingen verkeerd lopen. Bovendien hebben de PR-mensen zo meer controle over wat er gezegd wordt, en vooral over wat niet gezegd mag worden. Zo ontstaan er veel minder grappige situaties dan vroeger. Het voelt ook echt alsof we nu een soort eindpunt bereikt hebben, en eenmaal covid overgewaaid is denk ik niet dat we terug naar het oude gaan. De grote sterren gaan niet meer zo veel moeite doen om persoonlijk naar Parijs of Londen af te zakken, enkel nog naar de grote festivals als Cannes.Het boek is dan wel minder didactisch, maar het lijkt nog steeds op 'de filmnerd' gericht te zijn. De gemiddelde man op de straat zal bijvoorbeeld niet weten wie pakweg Michael Haneke is.Craps: Ja, absoluut. Laten we het zo stellen: in het begin heb ik een paar pagina's laten lezen door vrienden en collega's, en die zeiden 'mijn tantenonneke gaat hier niets van begrijpen'. Dan heb ik beslist, 'ja, dan is het gewoon geen boek voor haar', en ben ik me gaan focussen op een publiek dat al een voorinteresse in cinema heeft. Mijn vriend weet bijvoorbeeld niet eens wie Kevin Costner is. Als ik ál die figuren moet gaan duiden, dan krijg je een boek van 600 pagina's of meer. Het is een amusant toiletboekje voor cinefielen geworden, waar je eens tien minuten in bladert om het daarna weer weg te leggen. Ontspanning tijdens de inspanning, zeg maar.Een groot deel van de anekdotes in het boek komt uit je eigen ervaringen, maar er zijn ook wat algemenere mythes en roddels in te vinden. Hoe heb je die verzameld?Craps: Ik heb een soort zesde zintuig om dat soort dingen te onthouden. Alle sappige verhalen die men mij vertelt, sla ik op. In het boek vind je bijvoorbeeld een anekdote over Robert Redford die overal compulsief te laat kwam en daardoor altijd zo zenuwachtig werd dat hij aan razende snelheden door de bochten van Utah scheurde. Dat is iets dat mijn toenmalige scenarioleraar Frank Daniel mij in de jaren negentig verteld had, en twintig jaar later herinner ik me dat nog steeds. Er zijn ook een hoop van die verhalen waarvan ik niet meer weet waar ik die gehoord heb, maar de roddels zelf staan me nog steeds bij.Daarnaast laat u ook een paar collega's filmjournalisten aan het woord.Craps: Dat vond ik heel belangrijk, zo is het een veel rijker boek geworden. Die anekdotes van Erik Van Looy of de quotes van Jan Verheyen bijvoorbeeld, ik vond het heel plezant om die er ook in op te nemen. Zeker ook de verhalen van Kurt Vandemaele waren belangrijk. Die heeft dan wel serieuze dingen gedaan in de filmjournalistiek, maar de manier waarop is heel leuk om over te lezen. Terwijl wij als brave jongetjes zaten te wachten op mogelijkheden om sterren te interviewen, ging hij er als een soort bounty hunter zelf op af.Doordat ik hen aan het woord laat, schets ik bovendien ook een beeld van een bepaalde generatie filmjournalisten. We worden allemaal al een dagje ouder en onze generatie is stilaan aan het uitdeinen. Ik vond het interessant om dat ook aan bod te laten komen.Voor sommige andere collega's bent u minder mild. In het boek schrijft u regelmatig over de 'starfuckers', journalisten die vooral op een selfie met de sterren hopen en weinig kwalitatieve journalistiek afleveren.Craps: Doorheen mijn carrière heb ik me daar heel erg aan geërgerd, en er zijn véél zulke mensen. Zeker omdat het over cinema gaat trek je extra veel zulke mensen aan. In Cannes merk je bijvoorbeeld dat er mensen uitgestuurd worden die niets met film te maken hebben en er niets van weten, wellicht omdat de filmkenner van dat blad dan niet beschikbaar was. Ik wil niet zeggen dat dat complete idioten zijn, maar ze gedragen zich wel idioot. Het zijn stoorzenders die tijdens round tables of persconferenties domme vragen stellen. Het probleem is dat je maar één stomme vraag nodig heb om een filmster of een regisseur te irriteren, en zo kan de sfeer van een volledig interview meteen omslaan. Ik herinner me bijvoorbeeld eens toen ik een two on one-interview had, dus met nog een andere collega. Op voorhand vertelde hij me dat hij de film waar het over ging niet eens gezien had. Ik dacht dus dat die tijdens het interview vooral ging zwijgen, maar nee, die stelde de ene vage vraag na de andere. Ik zat daar dan met allemaal materiaal waar ik niets mee kan doen, en zo ging al de ingeplande tijd in rook op. Dan denk ik, heb alsjeblieft een beetje meer respect voor je collega's.Maar goed, het zal niet snel veranderen. In de komende jaren komen er nog bij, en tijdens groepsinterviews zullen er altijd wel een paar opduiken.Het laatste hoofdstuk is een fictief interview met William Shakespeare. Vanwaar de keuze om af te sluiten met een icoon uit de literatuur in plaats van de filmwereld?Craps: Jaren geleden heb ik Kenneth Branagh eens geïnterviewd en dan zijn we beginnen fantaseren over hoe het zou zijn als Shakespeare vandaag de dag nog zou leven en als scenarist zou werken. De Bard is bovendien niet weg te denken uit de cinema. Er bestaan talloze verfilmingen van zijn werk. Binnenkort komt er bijvoorbeeld weer een versie van Macbeth uit, geregisseerd door Joel Coen en met Denzel Washington in de hoofdrol. Ik zie Shakespeare niet als puur literatuur of toneel, hij is ook terecht geannexeerd door de filmwereld.In Het Belang Van Limburg heb ik al eens een verkorte versie van dit interview gepubliceerd. De redactie heeft me dan wel gewaarschuwd dat ik daarmee moest opletten, omdat sommige lezers misschien niet door zouden hebben dat het fictief was. In zekere zin vind ik dat ook heel toepasselijk om het boek mee af te sluiten. Fake news is in deze tijdens iets heel relevant. Bovendien zijn sommige roddels in mijn boek zeker ook fake news, maar ik denk dat de lezer wel verstandig genoeg zal zijn om door te hebben wat realiteit is en wat niet.