Is het wel kies om de bloederige raid van de Noorse extremist Anders Breivik - die op 22 juli 2011 77 dodelijke slachtoffers maakte in en rond Oslo - te fictionaliseren? Paul Greengrass vond het kunnen, maar kreeg de wind van voren met zijn Netflixdrama 22 July. Ook de Noor Erik Poppe waagde zich eraan en moest evengoed kritiek incasseren. Beide ...

Is het wel kies om de bloederige raid van de Noorse extremist Anders Breivik - die op 22 juli 2011 77 dodelijke slachtoffers maakte in en rond Oslo - te fictionaliseren? Paul Greengrass vond het kunnen, maar kreeg de wind van voren met zijn Netflixdrama 22 July. Ook de Noor Erik Poppe waagde zich eraan en moest evengoed kritiek incasseren. Beide films focussen nochtans op andere aspecten van de gruwelijke gebeurtenissen. In Greengrass' film krijgen zowel Breivik, politici, advocaten als de opgejaagde jongeren en hun ouders een stem en een gezicht, met een caleidoscopisch docudrama van 140 minuten tot gevolg. In die van Poppe wordt de terrorist buiten beeld gelaten en word je in één enkele, ononderbroken take van 92 beklemmende minuten meegesleurd in het kielzog van Kaja (revelatie Andrea Berntzen), een van de vele jonge deelnemers aan een zomerkamp op het eiland Utøya die plots moeten rennen en vechten voor hun leven. Op die manier krijg je onvermijdelijk een survivalthriller die eerder op de zenuwenbanen dan op de traanklieren mikt, een grimmig realistische variant op Battle Royale met een onzichtbare schutter en een jeugdige heldin voor wie je duimt. Met traumaverwerking heeft dit weinig te maken, en naar de louterende waarde blijft het gissen. Maar Poppe - een ex-oorlogsfotograaf - maakt in tegenstelling tot Greengrass tenminste radicale dramatische en stilistische keuzes. De intense manier waarop hij Kaja's strijd in beeld stanst, zindert nog lang na het horen van Breiviks 405 geweerschoten en het rollen van de credits na.