The Assassin
...

De Taiwanese arthousemeester Hou Hsiao-Hsien die zich op 68e aan het martial-artsgenre waagt? Het klinkt even onwaarschijnlijk als 'Club Brugge wordt nog eens kampioen'. En toch: The Assassin blijkt de perfecte kruising tussen Hous verstilde, suggestieve stijl, die u kent van poëtische parels als A City of Sadness (1989), The Puppetmaster (1993) of Three Times (2005), en de traditie van Oosterse vechtfilms, inclusief sierlijk door de lucht tollende krijgers, zoals in House of Flying Daggers (2004) of Crouching Tiger, Hidden Dragon (2000). Het verhaal - of datgene wat daar met die paar dialogen en plotpunten voor doorgaat - speelt zich af tijdens de Chinese Tang-dynastie in de zevende eeuw, en gaat voor zover dat voor westerse leken te volgen valt over een mysterieuze zwaardvechtster annex huurmoordenares die zich in het strijdgewoel tussen rivaliserende clans mengt.Maar wat Hsiao-Hsien écht interesseert, en waar goede cinema écht om draait, zijn sfeer, ritme en ruimte: prachtig gestileerde natuurbeelden, een dwingende soundtrack met monotone drums en tjirpende krekels en een soms statische, dan weer zachtjes glijdende camera die de tot op het bot ontbeende personages discreet vanachter zachtjes wiegende gordijnen of bomen observeert. Alleen tijdens de zeldzame actiescènes schakelt HHH een versnelling hoger, kruipt hij uit zijn zenmodus en belandt hij in het traditionele krijgskunstterritorium, al heeft hij zelfs dan het lef en het metier om de actiechoreografieën plots te bevriezen en te interioriseren en zijn helden de lotushouding te laten aannemen. Martial arts according to HHH, kortom.