'Kunt u mij één Vietnamfilm noemen met zwarte soldaten in de hoofdrol, sir?' vroeg Spike Lee zich vorige week nog af in dit blad, Die vraag was uiteraard geheel retorisch. Om die blanke blik op de geschiedenis bij te kleuren, trok de peetvader van de Afro-Amerikaanse cinema zelf naar Vietnam. Dat doet hij in het zog van vier zwarte veteranen die destijds vochten tegen de Vietcong en zich Da 5 Bloods doopten, als hommage aan hun pelotonleider Norman die ginds sneuvelde.
...

'Kunt u mij één Vietnamfilm noemen met zwarte soldaten in de hoofdrol, sir?' vroeg Spike Lee zich vorige week nog af in dit blad, Die vraag was uiteraard geheel retorisch. Om die blanke blik op de geschiedenis bij te kleuren, trok de peetvader van de Afro-Amerikaanse cinema zelf naar Vietnam. Dat doet hij in het zog van vier zwarte veteranen die destijds vochten tegen de Vietcong en zich Da 5 Bloods doopten, als hommage aan hun pelotonleider Norman die ginds sneuvelde. Een halve eeuw na de feiten hebben de vrienden - jaggers inmiddels - nog heel wat zaken af te handelen. Het stoffelijke overschot van Norman werd immers nooit teruggevonden, evenmin als de goudschat die ze tijdens diens fatale missie moesten transporteren. Het is het startschot voor een zoektocht door het heden én het verleden, waarbij Lee switcht tussen het nu (geschoten in Cinemascope) en de vroege seventies (op 4:3-formaat). Hij mixt ook furieuze fictie met documentaire archiefbeelden, en komt zo uit tussen een avontuurlijke, met humor aangelengde schattenjacht en een trip langs de oorlogsgruwel van weleer. Toon- of tijdvast kun je deze 'joint', zoals Lee zijn idiosyncratische films over 'the black experience' doopt, dan ook niet noemen. Op geen enkel moment kiest hij tussen actie in de jungle, bloedserieus drama of saillante satire. Dat is uiteraard zijn goed recht, maar het zorgt wel voor ongemotiveerde en soms ongemakkelijke overgangen, alsof je plots van Platoon naar Tropic Thunder zapt. Het helpt niet dat het geheel bij momenten met de natte vinger aan elkaar geschoten en gekleefd lijkt. Lee de zelf- en vormbewuste beeldenstormer achter Do the Right Thing, Jungle Fever, Malcolm X en andere uppercuts lijkt pardoes vergeten. Simpel gezegd: Da 5 Bloods, dat normaal gezien Cannes had moeten openen, is energiek, ambitieus en fascinerend, zoals bijna elke joint die Lee in zijn imposante maar wispelturige carrière rolde. Maar het is ook een veeleer karikaturaal en belerend rommelpotje, iets wat Lee wel vaker overkomt. Uiteraard is het nuttig om een film te maken die de zwarte GI's in Vietnam en hun ervaringen centraal stelt. En uiteraard is het goed dat Lee erop wijst dat die oorlog wonden sloeg die nog steeds niet zijn geheeld, en dat de polarisatie die Amerika vandaag zo diep verdeelt haar roots in het verleden heeft. Alleen kun je dat aankaarten op een subtielere, minder schoolmeesterachtige en filmisch meer bevlogen manier. 'Een film maken is als balanceren op een slap koord', zei Lee in Knack Focus vorige week. 'Een misstap en je act is voorbij.' In zijn benevolente ijver, woede en goesting zet Da 5 Bloods er meerdere, maar toch wordt de film, zeker in de Verdeelde Staten van Amerika, verrassend lovend onthaald. Het blijft delicaat en speculatief, maar een en ander lijkt minstens evenveel met de huidige tijdsgeest als met de artistieke en intellectuele merites te maken te hebben, en ook dat is een vorm van discriminatie. Het is discriminatie van het kunstwerk dat je zijn autonomie ontneemt, maar ook van de maker wiens talent je paternalistisch behandelt.