Dik zeven uur duurt Sátántangó en na zeven minuten heb je al genoeg gezien, gehoord en beleefd voor de rest van de week. In de eerste scène verlaat een tiental koeien in processie het modderige erf van een krakkemikkige kolchoz. De wind waait onheil aan. Nergens valt een mens te bespeuren. Houdt zelfs het vee het voor bekeken?
...

Dik zeven uur duurt Sátántangó en na zeven minuten heb je al genoeg gezien, gehoord en beleefd voor de rest van de week. In de eerste scène verlaat een tiental koeien in processie het modderige erf van een krakkemikkige kolchoz. De wind waait onheil aan. Nergens valt een mens te bespeuren. Houdt zelfs het vee het voor bekeken? De door een camerabeweging leven ingeblazen zwart-met-wat-witcompositie is de prelude op nog 432 hypnotiserende minuten vol troosteloosheid, wanhoop en verdoemenis. Het berucht geworden diepte-/hoogtepunt is het hoofdstuk waarin een tenger meisje (Erika Bók) haar kat martelt en zichzelf vergiftigt. Later stapt ze met het verstijfde dier onder de arm door dag en nacht, weer en ontij, en over bos- en veldwegen. Ze komt nergens vandaan en gaat nergens heen, haar grote ogen op oneindig gericht. Je krijgt de scènes nooit meer uit je lijf geranseld. De vraag is of je dat wel wilt. Er schuilt immers een vorm van troost in hun kracht en pikzwarte, monumentale schoonheid. De Hongaarse schrijver László Krasznahorkai hielp met het scenario, dat is gebaseerd op zijn bikkelharde debuutroman uit 1985 over een Bijbelse figuur, Irimias. Die leidt een door haat en achterdocht verteerde gemeenschap in de poesta na het ineenstuiken van de communistische utopie nog dieper in de bodemloze ellende. Veel meer dan een leidraad is het niet. Voor de Hongaar Béla Tarr, boegbeeld van de slow cinema en een atheïstische Tarkovski, is het verhaal onderdeel van het beeld en niet omgekeerd. 'Elke minuut van de zeven uren is verwoestend en opwindend. Ik kijk er met plezier de rest van mijn leven naar, elk jaar opnieuw', zei de invloedrijke cultuurcritica Susan Sontag over Tarrs apocalyptische klapstuk uit 1994. Ze wordt in haar adoratie bijgetreden door Martin Scorsese, Gus Van Sant, Tilda Swinton en vele anderen. Sátántangó staat dan ook niet veraf van de ervaringen waar geen cinefiel om heen kan, zoals Citizen Kane van Orson Welles, 2001: A Space Odyssey van Stanley Kubrick of Andrej Roebljov van Andrej Tarkovski. Het cinematografische geweld op postzegelformaat aanschouwen is als naar de poster van Het Lam Gods kijken in plaats van naar de real stuff in de Sint-Baafskathedraal. Daardoor is elke bioscoopvertoning van Sátántangó een evenement. Het Brusselse Flagey herneemt de gerestaureerde versie deze week, later dit jaar volgen de voornaamste arthousecinema's in Vlaanderen. In het zog van Sátántangó krijgen overigens nog drie andere films van Tarr een nieuwe kans. Het rauwe Family Nest (1979) toont de schrijnende situatie waarin een dakloos jong gezin zich bevindt. The Outsider (1981) voelt mee met een asociale violist die al zuipend de controle over zijn deprimerende leven verliest, en Damnation (1988) bevat natgeregende straathonden, de modderigste modder en de droevigste rondedans ooit. U danst toch mee?