'Ik voel me meer een genrefilmer dan een auteur', liet Bong Joon-ho zich vorige week nog ontvallen in dit blad, maar wie zijn serial killer-thriller Memories of Murder (2003) of zijn meeslepende monsterfilm The Host (2006) heeft gezien, weet dat de Koreaanse rasfilmer zichzelf daarmee gruwelijk onderschat. Als iemand weet hoe je met de conventies van een genre moet jongleren en satire aan suspense moet koppelen met oog voor sfeer, detail en milieu, dan is het Bong wel. Dat etaleert hij opnieuw met zwier en plezi...

'Ik voel me meer een genrefilmer dan een auteur', liet Bong Joon-ho zich vorige week nog ontvallen in dit blad, maar wie zijn serial killer-thriller Memories of Murder (2003) of zijn meeslepende monsterfilm The Host (2006) heeft gezien, weet dat de Koreaanse rasfilmer zichzelf daarmee gruwelijk onderschat. Als iemand weet hoe je met de conventies van een genre moet jongleren en satire aan suspense moet koppelen met oog voor sfeer, detail en milieu, dan is het Bong wel. Dat etaleert hij opnieuw met zwier en plezier in Parasite, de cholerische en koldereske clash der klassen waarmee hij in mei de Gouden Palm won. Waren zijn vorige, Engelstalige sciencefiction-uitjes Snowpiercer (2013) en Okja (2017) op hun best geestig en knap geregisseerd, dan keert Bong met Parasite terug naar zijn heimat, en vooral: naar de topvorm die we van hem gewoon waren. In deze saillante sociale satire smokkelt hij je de opperste echelons van de Zuid-Koreaanse klassenmaatschappij binnen, in het zog van zijn lepe hoofdpersonages. Dat zijn de zoon, zus, vader en moeder van een arm gezin die - niet gehinderd door een gebrek aan diploma's - respectievelijk aan de slag gaan als privéleraar, kinderoppas, chauffeur en huismeid van de goedbedoelende maar hopeloos naïeve rijke familie. Net zoals in zijn eerdere meesterwerken Memories of Murder, The Host en Mother (2009) kiest Bong opnieuw de kant van outcasts en havenots, maar zijn klassenstrijd wordt op geen enkel moment pamflettair of karikaturaal. Parasite is dan ook geen politiek statement. Het is bovenal een heerlijk inventieve en subliem geregisseerde suspensekomedie waarin Bong zijn camera niet alleen sierlijk door alle gangen en kamers van de designvilla van het rijke gezin laat glijden, maar je ook de stank van het ondergrondse hok van de arme clan doet ruiken. Maak alvast je borst nat voor een ingenieuze upstairs downstairs-intrige vol verrassingen. Het is alsof Bong je een hedendaagse variant op de Koreaanse klassieker The Housemaid (1960) of op Joseph Loseys The Servant (1963) serveert, maar dan vol donkere humor, gedrenkt in diepe, gesatureerde tinten en groothartig humanisme en verpakt als een familiale thriller die een memorabele invulling geeft aan het gezegde 'elk huisje heeft zijn kruisje'. Een fonkelende Gouden Palm, geschreven en geregisseerd door een uiterst begenadigd genre-auteur, met hoeveel bescheidenheid die zichzelf ook moge omschrijven.