Het Wilde Westen is het ongerepte territorium waar viriele venten, met een Stetson op de kop en een Winchester in de knoest, wilde mustangs of nog wildere outlaws temmen. Of zo wil toch het panoramische plaatje dat de western - het meest Amerikaanse en puur cinematografische filmgenre - van oudsher meegeeft. Met dat ethos is ook de knappe, welgestelde en van toxisch machismo dampende rancher Phil Burbank (Benedict Cumberbatch) opgegroeid. Dat mogen zowel zijn meer bedeesde broer (Jesse Plemons), de weduwe waar die mee wil trouwen (Kirsten Dunst), als haar weinig mannelijke zoon Peter...

Het Wilde Westen is het ongerepte territorium waar viriele venten, met een Stetson op de kop en een Winchester in de knoest, wilde mustangs of nog wildere outlaws temmen. Of zo wil toch het panoramische plaatje dat de western - het meest Amerikaanse en puur cinematografische filmgenre - van oudsher meegeeft. Met dat ethos is ook de knappe, welgestelde en van toxisch machismo dampende rancher Phil Burbank (Benedict Cumberbatch) opgegroeid. Dat mogen zowel zijn meer bedeesde broer (Jesse Plemons), de weduwe waar die mee wil trouwen (Kirsten Dunst), als haar weinig mannelijke zoon Peter (Kodi Smit-McPhee) ondervinden. Op het brutale af. Voor wie op basis van die premisse The Good, the Bad and the Gay verwacht: in Jane Campions even intense als ambivalente The Power of the Dog, naar de roman uit 1969 van Thomas Savage, wordt amper een schot gelost. Het is enerzijds een reflectie over hoe het Wilde Westen in de jaren twintig van de vorige eeuw ontrafelt tot mythe, met Phil - die even vlot de Griekse klassiekers citeert als stieren castreert - als een man die gevangen zit tussen de oude en de nieuwe wereld. Anderzijds is het vooral een psychologisch duel tussen twee, héél verschillende alfamannetjes, met Phil als machomeester en Peter als slaafje. Al blijken de verhoudingen toch dubieuzer in elkaar te steken. Ook in haar eerste 'mannenfilm' berijdt Campion, die altijd al een fetisj voor ge(de)romantiseerde verledens had, haar stokpaardjes in volle galop. Hoe in elke mens een driftig, seksueel beestje schuilt. Hoe dat beestje gekooid wordt door de culturele, sociologische en fysieke wereld om hem heen. En hoe elke relatie deels een machtsspel is. Het zijn de voortdurend onder het canvas sudderende topics die ook The Piano, The Portrait of a Lady en Top of the Lake al deden stijf staan van de psychologische suspense en de onbevredigde begeerte, en die dit keer ook doordringen tot een liefde die haar naam niet durft te noemen. Toch zeker niet in het rurale Montana van toen. Met een beetje zin voor reductionisme zou je The Power of the Dog daarom kunnen pitchen als 'nature versus nurture, met een cowboyhoed op'. Bovendien moet dit psychoseksueel drama dat als klassieke western is vermomd het niet alleen van zijn geduldige narratief of met overgave vertolkte personages hebben. Campion weet er een zowel abstraherend als intens aards sfeertje in te krijgen, in de trant van Paul Thomas Andersons There Will Be Blood en The Master, of de schrijfsels van Cormac McCarthy. Zo is er de expressieve score van Jonny Greenwood én de sfeervolle fotografie van Ari Wegner, die met evenveel goesting de valleien en prairies als de blote, met modder besmeurde bast van Benedict Cumberbatch betast. Een beestige film tussen hond en wolf, die je absoluut op het grote doek moet opsnuiven en die zowel apporteert als verrassend gemeen doorbijt.