Martin Luther King en Malcolm X kent iedereen als martelaren van de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig, maar qua naambekendheid zal Fred Hampton postuum nog een flink tandje moeten bijsteken. Deze pseudobiopic in thrillerjasje, goed voor zes Oscarnominaties, werpt alvast de barricaden op voor de charismatische Black Panther-voorman die in 1969 werd vermoord door de FBI. Hij toont hoe Hampton zich vanuit da hoods van Chicago manifesteert als zwarte Messias, hoe hij vol passie het socialisme predikt en hoe hij erin slaagt om een multiculturele beweging op te starten tegen de conservatieve powers that be, tot ontzetting van FBI-baas J. Edga...

Martin Luther King en Malcolm X kent iedereen als martelaren van de burgerrechtenbeweging van de jaren zestig, maar qua naambekendheid zal Fred Hampton postuum nog een flink tandje moeten bijsteken. Deze pseudobiopic in thrillerjasje, goed voor zes Oscarnominaties, werpt alvast de barricaden op voor de charismatische Black Panther-voorman die in 1969 werd vermoord door de FBI. Hij toont hoe Hampton zich vanuit da hoods van Chicago manifesteert als zwarte Messias, hoe hij vol passie het socialisme predikt en hoe hij erin slaagt om een multiculturele beweging op te starten tegen de conservatieve powers that be, tot ontzetting van FBI-baas J. Edgar Hoover. Filmmaker Shaka King, die acht jaar rondzeulde met dit project en uiteindelijk de productiesteun kreeg van Black Panther-regisseur Ryan Coogler, zet het allemaal op een snedige manier en in gesatureerde kleuren in beeld, met Daniel Kaluuya als militante funk soul brother. Toch is de leading man hier eigenlijk de Judas van dienst. Hampton werd indertijd verraden door William O'Neal (een prima Lakeith Stanfield), een tweederangsdief die door de FBI werd ingeschakeld als informant en infiltrant in ruil voor strafkwijtschelding. Het is dan ook door O'Neals schichtige, schuldbewuste ogen dat Hamptons opkomst-en-valverhaal wordt verteld, als een hollywoodiaanse undercoverthriller die zich, met zijn energieke palet en bewegingen, in de slipstream van Martin Scorsese, Spike Lee en de betere blackploitation van weleer tracht te murwen. Echt subversief, revolutionair of gewichtig kun je dit hippige postmoderne geschiedenislesje niet noemen. En sommige ingevingen - zoals Martin Sheen opvoeren in Dracula-makeup als J. Edgar Hoover - zijn op het randje van ridicuul. Maar er zit sfeer, passie en tempo in, en met Shaka Kings aanpak - spreek de beeldtaal van de mainstream om je emancipatorische boodschap te verspreiden - had een strateeg als Hampton zich mogelijk kunnen verzoenen. Het productiedesign flitst je alvast zo terug naar de late sixties, en doet je de weed en patchoeli haast ruiken. De soundtrack is funky en jazzy, melancholisch en opruiend tegelijk, alsof er tussen Shaft en Dirty Harry wordt gezapt. Het montageritme mist geen beat en het camerawerk van Sean Bobbitt, de ervaren rot die jarenlang Steve McQueens huiscinematograaf was, oogt ronduit somptueus. Het zorgt ervoor dat Judas and the Black Messiah beter, broeieriger en in elk geval filmischer is dan Aaron Sorkins The Trial of the Chicago 7, dat ook voor zes Oscars genomineerd werd en eveneens zijn blik vanuit het huidige Black Lives Matter-tijdperk richt op de burgerrechtenbeweging van weleer. Toch is het niet het meesterwerk, laat staan de molotovcocktail die sommige critici ervan maken in Amerika, waar de racistische schandvlekken meer spelen dan ooit. Het is wél een onderhoudend suspensedrama over een verleden dat nog volop bezig is, en dat de slogan 'Justice for Fred' scandeert met gebalde linkervuist in de lucht.