'Stop Britain from becoming a black colony. Get the foreigners out. Get the wogs out. Get the coons out. Keep Britain white!' Consternatie alom toen een beschonken Eric Clapton tijdens een concert in 1976 plots zijn steun uitsprak voor het extreemrechtse National Front. Ondertussen liet David Bowie in interviews optekenen dat een fascistische dictator Engeland goed zou doen en dat Hitler een van de eerste rocksterren was.
...

'Stop Britain from becoming a black colony. Get the foreigners out. Get the wogs out. Get the coons out. Keep Britain white!' Consternatie alom toen een beschonken Eric Clapton tijdens een concert in 1976 plots zijn steun uitsprak voor het extreemrechtse National Front. Ondertussen liet David Bowie in interviews optekenen dat een fascistische dictator Engeland goed zou doen en dat Hitler een van de eerste rocksterren was. Indien de wokegeest toen al uit de fles was, zouden beide rockidolen allicht meteen gecanceld zijn, maar ook in die tijd liet niet iedereen die uitlatingen zomaar passeren. De incidenten inspireerden een groep geëngageerde punk-, ska- en reggaefans tot de oprichting van Rock Against Racism, een beweging die het oprukkende racisme en ultranationalisme wilde counteren met concerten, flyers en manifestaties. Daarvoor zochten en vonden ze steun bij bands als The Clash, Aswad, Steel Pulse, Gang of Four, X-Ray Spex, de Tom Robinson Band en zelfs Sham 69, een punkgroep die nochtans flink wat extreemrechtse skinheads onder haar aanhang had. Deze documentaire van de Britse Rubika Shah toont hoe het multiraciale, geweldloze Rock Against Racism vanuit een duf, Londens kantoortje de handschoen opnam tegen de stoottroepen van het National Front. Je ziet hoe de opstandige punkbeweging zowel links als rechts omarmde, hoe zwarte immigranten in die tijd werden gepest en gekleineerd en werkloosheid en een gebrek aan sociale voorzieningen een vruchtbare voedingsbodem voor extremisme en activisme bleken. De titel is afkomstig van de iconische punksong van The Clash waarin Joe Strummer en de zijnen ook blanke jongeren opriepen om in opstand te komen tegen de reactionaire powers that be. Naast talking heads passeren foto's, animaties en archiefbeelden van National Front-marsen, van de rechts-radicale politicus Enoch Powell, van verloederde volksbuurten en confrontaties met de politie de revue. Toch focust Shah vooral op de oprichters van Rock Against Racism: fotograaf en undergroundartiest Red Saunders, typograaf Roger Huddle, grafisch ontwerpster Ruth Gregory en anderen. Met muziek als wapen én lokmiddel wisten ze nauwelijks in politiek geïnteresseerde muziekfans door de straten te laten marcheren, met als culminatiepunt het legendarische, gratis concert in april 1978 in Victoria Park, Oost-Londen: 'the carnival against the fucking nazi's', zoals Saunders het in agitpropstijl noemde. Een diepere analyse van het troebele sociaalpolitieke klimaat van weleer ontbreekt evenwel, net als enkele sleutelgetuigen. En wie enkel voor de onverslijtbare muziek kijkt, roept op den duur allicht 'up yours!' Vormelijk heeft de film soms wat van een doe-het-zelfdocument, maar dat past prima bij de punkattitude van die tijd. Als White Riot al een les bevat, dan wel dat er sinds de jaren zeventig weinig is veranderd. Nog steeds worden dezelfde simplistische slogans gescandeerd, nog steeds wordt er geworsteld met racisme en multiculturalisme. Zelfs de eerste zin op de aftiteling klinkt actueel: de strijd is nog steeds niet gestreden.