The Shape of Water van Guillermo del Toro met Sally Hawkins, Richard Jenkins en Michael Shannon.
...

Wat gebeurt er als je in een geheim ondergronds laboratorium een monsteravontuur als Creature from the Black Lagoon genetisch kruist met een melodrama à la Douglas Sirk, een politieke satire, een stommefilmklassieker en een oldskool musical? Zelfs de rabiaatste filmnerd heeft het zichzelf wellicht nooit afgevraagd, maar afgaande op The Shape of Water - met dertien nominaties de grote favoriet voor de Oscars - was het voor Guillermo del Toro blijkbaar een existentiële kwestie. In zijn postmoderne prijsbeest, dat in Venetië al met de Gouden Leeuw werd bekroond, jongleert de Mexicaanse monsterfanaat met diverse genres en toonaarden. Het meest wonderlijke aan zijn creature feature is evenwel niet het exquise productiedesign, dat je terugflitst naar de vroege jaren zestig, toen de Koude Oorlog rechts Amerika koortsrillingen gaf, of het glibberige onderwaterwezen waar de intrige om draait. Wat vooral verbaast, is het feit dat Del Toro zijn hybride creatuur - deels subversief sprookje, deels suspensefilm, deels god-weet-wat - langs muf riekende pastichewateren loodst en zowaar stroomlijnt tot een even zwierig, geestig, grimmig als kletsnat fantasyverhaal. In Del Toro's trip door het collectieve filmbewustzijn gaat het om een mysterieuze meerman - half vis, half vent - die door de Amerikaanse overheid gevangen wordt genomen en in een watertank gedropt. Voor wetenschappers is hij een proefkonijn. Voor Strickland (Michael Shannon), een fascistoïde macho met een overheidsbadge, is hij een illegale indringer met kieuwen. Maar voor Elisa (Sally Hawkins), een schoonmaakster die als kind haar stem heeft verloren, is hij een wonderlijk wezen waar niet alleen haar hart week van wordt. Lang duurt het niet vooraleer ze plannen smeedt om haar geschubde geliefde - maak uw borst nat voor intersoortelijke seksscènes - te bevrijden, een onderneming waarbij ze kan rekenen op de hulp van Giles (Richard Jenkins), een nicht met toupet, en Zelda (Octavia Spencer), een zwarte poetshulp. Je hoeft geen FBI-agent te zijn om uit te vissen dat onder het rimpelloze oppervlak van Del Toro's variant op Belle en het Beest een politieke allegorie schuilt op onverdraagzaamheid en discriminatie binnen Amerika toen en nu. Hij schept zijn humanistische zedenles echter op met zoveel passie, kunde en flair, en vooral met zoveel liefde voor de cinema van weleer, dat je hem én zijn roedel outcasts zelfs de zakdoekmomenten en een waterig happy end gunt. Elk shot is een plaatje, met dank aan cameraman Dan Laustsen, de montage mist geen enkele hartslag en Sally Hawkins, Richard Jenkins, Octavia Spencer en Michael Shannon omarmen hun personages - karikaturen van vlees en bloed - met zoveel liefde dat ze beter naar een hotelkamer op zoek gaan. Del Toro vind het zijn beste filmtot nu toe, en de beroepsfantast achter The Devil's Backbone, Pan's Labyrinth, Hellboy en - ook de besten gaan al eens kopje onder - Pacific Rim zou weleens gelijk kunnen hebben.