Van Francis Lee met Josh O'Connor, Alec Secareanu, Ian Hart.
...

Oscar Wilde omschreef de herenliefde ooit als 'a love that dare not speak its name'. Dat lijkt ook het devies van Johnny (Josh O'Connor), een jonge, literair heel wat minder aangelegde knul uit Yorkshire die zijn homoseksualiteit het liefst verborgen houdt voor zijn landbouwersfamilie. Bovendien heeft hij toch niet veel tijd om zich met romantiek bezig te houden, want sinds zijn immer norse pa (Ian Hart) werd getroffen door een beroerte, moet hij de schapenboerderij op zijn eentje runnen. Geen wonder dat Johnny - young, dumb, and full of cum - zijn frustraties al eens uit het lijf jaagt met een avondje comazuipen en vrijblijvende seks. Tot de knappe, introverte Roemeense immigrant Gheorghe (Alec Secareanu) tijdelijk komt bijklussen op het erf en er tussen beide twintigers eerst iets dierlijks en driftigs, maar daarna ook iets teders en intiems begint te bloeien. Met zijn genereuze gayromance (ja, er wordt gekust en geneukt) te midden van weiden en schapen werd God's Own Country her en der al de ' Brokeback Mountain van de Yorkshire Moors' genoemd. Toch heeft het rauwe, tedere debuut van Francis Lee meer met Brits naturalisme dan met de tragische gay cowboys van Ang Lee te maken. Zijn directe, los uit de pols gedraaide stijl doet immers onvermijdelijk denken aan de poëtisch-realistische manier waarop Andrea Arnold eerder Wuthering Heights (2011) tegen het doek borstelde. Of aan Clio Barnards Dark River (2017), nog zo'n film over het harde rurale leven in Dear Old Blighty. Verwacht dus geen boerenballade vol bucolische plaatjes of sentimentele muziekjes op de klankband. Lee serveert een heel erg aardse film die je het mos, de modder en de lichaamssappen - zowel van venten als beesten - haast laat ruiken. God's Own Country lijkt zonder verdoving uit het boerenleven en het hart gerukt, en wordt bevolkt door personages van vlees en bloed die gevangen zitten tussen grauwe hemels, heides en zeden.