Wat dreef de zwijgzame, in zichzelf gekeerde vijftiger Amador ertoe om een bos in lichterlaaie te zetten? En heeft hij zijn demonen onder controle, nu hij na zijn celstraf weer op de boerderij van zijn bejaarde moeder komt wonen? De omineuze, Engelstalige titel van Oliver Laxes in Cannes bekroonde film doet vermoeden van niet, maar Fire Will Come - O que arde in het Galicisch - is geen whodunit over een pyromaan. Het is een langzaam indringende, onderhuids smeulende meditatie over schuld en ...

Wat dreef de zwijgzame, in zichzelf gekeerde vijftiger Amador ertoe om een bos in lichterlaaie te zetten? En heeft hij zijn demonen onder controle, nu hij na zijn celstraf weer op de boerderij van zijn bejaarde moeder komt wonen? De omineuze, Engelstalige titel van Oliver Laxes in Cannes bekroonde film doet vermoeden van niet, maar Fire Will Come - O que arde in het Galicisch - is geen whodunit over een pyromaan. Het is een langzaam indringende, onderhuids smeulende meditatie over schuld en boete, vergeving en verlossing, én over de licht ontvlambare relatie tussen mens en natuur. Amador (Amador Arias), die zijn dorpsgenoten ontwijkt, behalve de lokale, vrouwelijke dierenarts, is niet het enige hoofdpersonage. Laxe, wiens cast volledig bestaat uit streekbewoners die nooit eerder voor een camera hebben gestaan, toont minstens evenveel aandacht voor het ruwe Galicische landschap. Door zijn uitgekiende beeldcomposities lijkt er zelfs een mystieke, metaforische kracht van uit te gaan. Alsof het de mensen die erin ploegen en wroeten voortdurend aan hun nietigheid wil herinneren, op het kwellende af. Door de spaarzame dialogen, spirituele thematiek, ongekunstelde amateurcast en intens aardse, visuele stijl doet de film onvermijdelijk denken aan het werk van Bruno Dumont en Carlos Reygadas. Alleen voegt Laxe, de jonge, Frans-Spaanse filmauteur die eerder de festivalfavorieten Todos vós sodes capitáns (2010) en Mimosas (2016) afleverde, er een ecologische laag aan toe, maar dan zonder die expliciet te benoemen. Op de achtergrond sluimeren de klimaatopwarming en de bosbranden die Galicië elk jaar opnieuw teisteren, waarbij het de vraag blijft of die spontaan ontstaan dan wel worden aangestoken. Van de spookachtige proloog waarin een bulldozer zich door de duisternis een weg baant door de bomen, via de keukenscène waarin Amador brood roostert op de kachel, tot het moment waarop plots Leonard Cohens liefdesballade Suzanne weerklinkt tijdens de close-up van een koe: je voelt aan alles dat het vuur, ondanks alle goede voornemens en pöetische pauzes, onherroepelijk zal komen en dat je niet aan de cathartische kracht ervan zult kunnen ontsnappen. Het is een fatalisme dat ook uit elke rimpel van Amadors gegroefde, door het leven getekende kop te lezen valt.