'De geschiedenis van vrouwen is er een van stilte', schrijft regisseuse Lisa Rovner in de synopsis van Sisters with Transistors, de documentaire over miskende vrouwelijke pioniers van de elektronische muziek die ze deze week presenteert op Docville. Rovner alludeert uiteraard op het feit dat vrouwen door de eeuwen heen zijn weggegomd uit het relaas van politieke, sociale, economische of artistieke ontwikkelingen, als vervelende sta-in-de-wegs van de eer en glorie die mannen finaal hebben weggekaapt. Sisters with Transistors werpt lang verbeid licht op zulke obscure heldinnen. Op Clara Rockmore met haar thereminconcerten van bijna honderd jaar geleden.
...

'De geschiedenis van vrouwen is er een van stilte', schrijft regisseuse Lisa Rovner in de synopsis van Sisters with Transistors, de documentaire over miskende vrouwelijke pioniers van de elektronische muziek die ze deze week presenteert op Docville. Rovner alludeert uiteraard op het feit dat vrouwen door de eeuwen heen zijn weggegomd uit het relaas van politieke, sociale, economische of artistieke ontwikkelingen, als vervelende sta-in-de-wegs van de eer en glorie die mannen finaal hebben weggekaapt. Sisters with Transistors werpt lang verbeid licht op zulke obscure heldinnen. Op Clara Rockmore met haar thereminconcerten van bijna honderd jaar geleden. Op Daphne Oram en Delia Derbyshire, die in de jaren vijftig en zestig onbekende artistieke wegen openden met de gesofisticeerde apparatuur in Britse radiostudio's. Op Française Éliane Radigue, die zich met minimalistische drones van de musique concrète losscheurde. Op Pauline Oliveros en Maryanne Amacher met hun avant-gardistische maar van leven tintelende experimenten. Op de Amerikaanse Laurie Spiegel met haar computercomposities aan het eind van de seventies. Nochtans, betoogt Rovner, liet veel van dat baanbrekende werk zich voelen 'in de vroege geluidsexperimenten van Les Paul, de studiomanipulaties van Beatles-producer George Martin, de concrète-schertsen van Frank Zappa en het samplen en turntablism van hiphop-dj's als Grandmaster Flash of Q-Bert.' Voor al die vrouwen geldt dat ze zich met die nieuwsoortige muziek (die decennialang door de engeren van geest niet eens als volwaardige muziek werd beschouwd) aan de paternalistische gevestigde orde van radiostations, platenmaatschappijen of concertzalen konden onttrekken. 'Technologie is een enorme bevrijder', zegt Laurie Spiegel in de docu. 'Ze blaast machtsstructuren op.' Wat Spiegel of haar landgenote Suzanne Ciani - ook bekend, of net niet, als 'Amerika's eerste synthheldin' - naar dat onbekende terrein dreef, was het gebrek aan rolmodellen. 'Alle componisten waren witte dode mannen', poneert Spiegel. 'Het kwam niet bij me op dat dat ook voor mij was weggelegd.' Dat ze haar toevlucht zocht in computers kwam voort uit frustratie, maar toch ook omdat ze er het ongelofelijke potentieel van inzag. *** Bevrijding als een mes dat aan twee kanten snijdt, dat is ook de insteek van Fanny: The Right to Rock van de Amerikaans-Canadese filmmaakster Bobbi Jo Hart. Die docu draait om de volledig vrouwelijke rockgroep Fanny, in 1969 opgericht in Californië door de van oorsprong Filipijnse zussen June (gitaar) en Jean (bas en zang) Millington. Het kwartet - vervolmaakt door de enigmatische toetseniste-zangeres Nickey Barclay en ongegeneerde drumster Alice de Buhr - was de eerste vrouwenband ooit die bij een major een plaat uitbracht. Fanny's stampij van melodieuze harde rock en rammende glam hoefde voor niemand uit die tijd onder te doen. De vier namen een plaat op met producer Todd Rundgren, in de Londense Apple Studios werkten ze met Beatles-technicus Geoff Emerick, ze passeerden in enkele belangwekkende Amerikaanse tv-shows én ze tourden zich suf. Waarom, vragen we Bobbi Jo Hart, heeft geen hond dan ooit van deze groep gehoord? 'Omdat ze steevast gepresenteerd werd als een noveltyact. Ja, journalisten schreven lovend over Fanny, maar ook heel oppervlakkig. In haast elk interview ging het hoofdzakelijk over hoe het is om als vrouw een instrument te bespelen. Het publiek heeft de leden van Fanny nooit als ménsen leren kennen.' Volgens Hart speelden ook racistische motieven mee. 'Je weet dat de Aziatische gemeenschap in de States sinds covid veel vaker het slachtoffer is van hate crimes. Wel, dat er vandaag een hashtag moet bestaan als #StopAsianHate is net zo goed een laag in het verhaal van Fanny.' In 1975 hield de groep er gedesillusioneerd mee op. Zoals David Bowie-bassiste Gail Ann Dorsey in de film zegt: 'Het waren vrouwen, ze waren van vreemde origine en lesbisch. Ze hadden het zichzelf niet moeilijker kunnen maken.' *** Een andere muzikante die zich jarenlang gekooid voelde door een eenzijdig publiek beeld is de Australische Lindy Morrison, drumster van The Go-Betweens. Dat zangers-songschrijvers Robert Forster en Grant McLennan de centrale as van die ondergewaardeerde eightiesgroep vormden, is al sinds de split in 1989 het algemeen aangenomen narratief. Met zijn boek Grant and I (2016) verheerlijkte Forster zijn bromance met de in 2006 overleden McLennan op zo'n innemende manier dat hij er vele eindejaarslijstjes mee aanvoerde. Maar eerder dit jaar bood Tracey Thorn, zangeres van Everything but the Girl en sinds enkele jaren ook schrijfster, hevig weerwerk met haar boek My Rock 'n' Roll Friend. Ja, die twee vooraan schreven en zongen de songs, maar The Go-Betweens werd pas echt een groep in de oorspronkelijke triobezetting, dankzij de noeste, extraverte, luidruchtige, onconventioneel drummende Lindy Morrison, betoogt Thorn. Als geliefde van Forster was Morrison bovendien diens muze, wat uit talloze Go-Betweens-songs blijkt. 'Vanaf het begin weten de jongens dat ze met Lindy erbij veel interessanter overkomen, maar later zullen ze haar rol ondermijnen, haar creatieve input proberen af te pakken, haar kracht inperken, haar belangrijkheid afzwakken, en zichzelf uiteindelijk opnieuw schetsen als waren ze altijd al een duo', schrijft Thorn, die haar gram vaak niet kan verbergen. My Rock 'n' Roll Friend is overigens ook een roerend boek over de vriendschap tussen Thorn en Morrison, twee compleet tegengestelde persoonlijkheden. Thorn slaagt er glansrijk in de onooglijke muziekhistorische voetnoot Lindy Morrison tot een ongemeen boeiend individu om te turnen, een vrouw die al haar hele leven (Morrison is vandaag 69) te horen krijgt dat ze zich discreter moet opstellen omdát ze vrouw is. Daar heeft Morrison lak aan: ze vloekt als een ketter, strijdt al in de vroege seventies voor de rechten van de oorspronkelijke Australische bewoners en lift op haar vierentwintigste door Europa en Noord-Afrika, waarbij ze met Roger Moore aan de bridgetafel belandt. Maar die hele fabuleuze achtergrond verschrompelt zienderogen in The Go-Betweens, waarin ze volgens Thorn tot 'de vrouw' en 'de drumster' wordt gereduceerd, wat dan ook het enige is waarnaar haar in interviews wordt gevraagd. 'Het verbaast me dat ze de hele jaren tachtig mensen niet constant een klap voor hun kop heeft gegeven', foetert Thorn. *** Neen, going with the flow is er voor alle bovenvermelde artiestes nooit bij. Tégen de stroom ging het dag in dag uit, een eeuwig, slopend gebakkelei om als evenwaardig te worden aanzien en behandeld. Met andere woorden: tegen 'de mannelijke blik'. Voor dat laatste was zelfs Bobbi Jo Hart beducht. Ze vat haar film aan met een ronkende quote van David Bowie uit 1999, opgetekend in de millenniumspecial van het blad Rolling Stone: 'Een van de belangrijkste groepen uit de Amerikaanse rock is begraven zonder een spoor na te laten: Fanny.' Uiteraard kan Hart ook de anderhalf jaar durende relatie van Bowie en Jean Millington niet laten liggen. Eventueel zou ze kunnen meegeven dat Millington in die periode meezingt op Bowies nummer Fame. 'Tot ik dat vertelde aan de cameraman die ik voor een dag had ingehuurd', bekent ze schoorvoetend. 'Zijn reactie was meteen: "Ah, vandáár die uitspraak van Bowie, hij neukte gewoon een van die meiden.' Daar was hij dan plots: the male gaze. Terwijl Bowie in 1999 al jaren niemand van Fanny meer had gehoord of gezien. Hij had om het even wie de hemel in kunnen prijzen. Maar in dat moment met de cameraman werd weer maar eens een vrouw beoordeeld op basis van de man met wie ze de lakens deelde, en hoe dat haar carrière zogezegd had bepaald. Terwijl het omgekeerde nooit gebeurt. Toen wist ik: het zal de film of Fanny geen goed doen om hier verder op in te gaan, hoe sappig dat deel van het verhaal ook is.' Om dezelfde reden verneem je als kijker slechts terloops dat Millington later trouwde en kinderen kreeg met Bowies gitarist Earl Slick, een van de talking heads in de film. Bobbi Jo Hart hoopt dat Fanny dankzij haar docu volgend jaar zal worden opgenomen in de Rock & Roll Hall of Fame, in navolging van The Go-Go's (en, toevallig, Todd Rundgren) dit jaar. 'Amper acht procent van de ingehuldigden is vrouwelijk, er valt nog een enorme inhaalbeweging te maken', zegt ze. 'Ja, met deze film wil ik een lapsus in de muzikale geschiedschrijving rechtzetten. Hoe moeilijk dat ook is. Elvis Presley heeft zogezegd rock-'n-roll uitgevonden, terwijl je die eer eigenlijk aan Sister Rosetta Tharpe moet geven, een zwarte vrouw. Maar hoe lang heeft het niet geduurd vooraleer iemand haar impact heeft erkend? Zelf weet ik dat ook nog maar een jaar of tien. Zoals Fanny-drumster Alice de Buhr in de film zegt: dat is een muur die zich maar steentje per steentje zal laten afbreken.'