Honderd jaar geleden verscheen El Apóstol van Quirino Cristiani, voor zover bekend de allereerste geanimeerde langspeelfilm. De enige kopie van de Argentijnse stop-motion ging helaas in vlammen op, waardoor El Apóstol tot het clubje van verloren films behoort. Er volgden kort daarna nog twee films van Cristiani, (Sin dejar rastros (1918) en Peludópolis (1931)), die ook nergens meer te vinden zijn.
...

Honderd jaar geleden verscheen El Apóstol van Quirino Cristiani, voor zover bekend de allereerste geanimeerde langspeelfilm. De enige kopie van de Argentijnse stop-motion ging helaas in vlammen op, waardoor El Apóstol tot het clubje van verloren films behoort. Er volgden kort daarna nog twee films van Cristiani, (Sin dejar rastros (1918) en Peludópolis (1931)), die ook nergens meer te vinden zijn. Een meesterwerk dat de tand des tijds wél overleefde is Lotte Reinigers Die Abenteuer des Prinzen Achmed (1926). Met haar feeërieke schimmenspel leverde de Duitse filmmaakster de vroegst overgeleverde animated feature film af. De 65-minuten durende oogstreling is een aaneenschakeling van een 96000-tal frames. Drie jaar lang knipte Reiniger silhouetten uit zwart karton, om ze vervolgens met behulp van stop-motion tot leven te wekken. De film handelt - niet volledig onverwacht - over de Arabische prins Achmed en diens belevenissen. Op een dag bestijgt de jongeman een vliegend paard, waarna hij zich van het ene avontuur in het andere stort. Op zijn vlucht ontmoet het heerschap een reeks magische creaturen, die helaas niet allemaal goedaardig blijken te zijn.Ook Frankrijk produceerde al snel een parel. Le Roman de Renard (1937, Ladislas Starevich) was in principe al een quasi afgewerkt product in 1930, maar mocht pas veel later verschijnen. Het duurde achttien maanden om de film te animeren, en vervolgens zeven jaar om met de soundtrack te klooien. Le Roman de Renard, gebaseerd op de middeleeuwse Reynaert-verhalen, toont een via stop-motion geregistreerde meute dierenpoppen. Centraal staat de sluwe Renard, een sadistische vos die de politieke macht genadeloos rond zijn vinger weet te wikkelen. De film fungeerde vele jaren later als een van de inspiratiebronnen voor Wes Andersons Fantastic Mr. Fox (2009). Vervolgens sprongen de Sovjetunie, Italië en de Verenigde Staten op de trein van de full-length animatiefilm. Amerika's debuut, Snow White and the Seven Dwarfs (1937, David Hand), sloeg in als een bom. De film was meteen een gigantisch succes, zowel bij critici als bij de consument. Disneys speelfilmintrede was revolutionair, onder andere in zijn gedetailleerde en waarheidsgetrouwe representatie van menselijke beweging. Daarnaast was The Walt Disney Company de eerste studio die Max Fleischers rotoscoop gebruikte om een langspeelfilm te produceren. Rotoscoping houdt in dat een filmmaker live-actionbeeldmateriaal gebruikt om animatie te creëren, zij het door overtekenen of door digitale transformatie. De techniek bestond al enkele decennia, maar was ontoegankelijk voor de meeste studio's wegens Fleischers excessief patenteergedrag. Fleischer Studios probeerde Disney twee jaar later tevergeefs te antagoniseren met Gulliver's Travels (1939, Dave Fleischer). Tot ongeveer 1990 leefden de zieltjes van de mainstream-animatiefilmconsument onder de quasi-alleenheerschappij van The Walt Disney Company. Niet dat er buiten de Amerikaanse sprookjesbubbel geen films verschenen; alternatieven waren er genoeg, en zeker niet uitsluitend voor kinderen. Bruno Bozzetto kwam op de proppen met zijn Allegro Non Troppo (1976), een misantrope parodie op DisneysFantasia (1940). Ook andere sprookjes gingen onder het mes: in de handen van Tsjechische cineast Jan Svankmajer moest de aaibaarheidsfactor van Lewis Carrolls canonieke Alice-verhaal sterk inboeten: met Neco z Alenky (1988) creëerde hij een surrealistische film die balanceert tussen live-action en stop-motion. 'Niet voor kinderen' werd in sommige gevallen zelfs een verkoopstruc, zoals Fritz the Cat (1972, Ralph Bakshi) dat enigszins onsubtiel in zijn tagline aangeeft: 'WE'RE NOT RATED X FOR NOTHIN', BABY!'Nog een opmerkelijke verschijning was Yellow Submarine (1968, George Dunning), een pre-Monty Pythoneske psychedelische onderdompeling in het muzikaal oeuvre van The Beatles. In tijden van popcultuurexplosie oogde de film als een onverwachte verschijning: iedereen - The Beatles incluis - had zich aan een Disney-achtige prent verwacht. Ook de Frans-TsjechischeLa planète Sauvage (1973, René Laloux) vloeit over van fantastische curiositeiten, en blijft wel heel erg ver weg van alles wat hap-slik-Hollywoodglamour impliceert. In Japan verscheen de dystopische film Akira (1988, Katsuhiro ?tomo), en in Tsjecho-Slowakije vertolkten Ji?í Trnka's dansende poppen een sublieme adaptatie van Shakespeares A Midsummer Night's Dream (Sen noci svatojánské, 1959). Al dat schoons kon echter geen tegengewicht bieden aan de schattige en toegankelijke magie van Disney. Zelfs tijdens de donkerste twee decennia - die na de dood van oprichters Walt en Roy - bleef het bedrijf films produceren. Het betrof voornamelijk rommel, en enkele van de beste animatiekunstenaars werden aan de deur gezet. Vele Disney drop outs, onder wie Tim Burton, Henry Selick en John Lasseter, werden later grote namen in de animatiefilmwereld. Het zou bijna twintig jaar duren voor de zogenaamde 'Disney Renaissance' aanbrak: de studio herrees uit de eigen assen, en bracht de ene succesfilm na de andere uit. Het bedrijf blijft tot op de dag van vandaag expliciet aanwezig in de wereld van sprookjes, animatie en ver daarbuiten, maar moet zijn wereldwijde appreciatie nu delen met andere merken. Pixar - toen nog geen partner van het huis van de muis - bracht de eerste volledig computergeanimeerde film uit. Met een gigantische brutowinst en een eindeloze stroom aan positieve reacties hertekende Toy Story (1995, John Lasseter) het animatiefilmlandschap als geen ander. De kaskraker kreeg al snel navolging, en computeranimatie een normatieve allure. Halverwege de jaren negentig trad ook Dreamworks stilaan mee op de voorgrond. In 2000 bevestigde dat productiebedrijf zijn status met Chicken Run (Peter Lord & Nick Park), een samenwerking met de Britse Aardman Animations. Met Shrek (2001, Andrew Adamson & Vicky Jenson) probeerde Dreamworks een concurrent voor Pixarfilms neer te zetten. Met succes: Shrek bracht tonnen geld op en zit nog altijd in uw collectieve geheugen.Rond diezelfde tijd kreeg de Japanse Studio Ghibli wereldwijd voet aan de grond. In Spirited Away (2001, Hayao Miyazaki), de bekendste film van de studio, belandt een tienjarig meisje in een fantastisch, door monsters bevolkt badhuis. De toeschouwer volgt haar in haar zoektocht naar een manier om terug naar de mensenwereld te keren. My Neighbor Totoro (1988, Hayao Miyazaki), een parel die pas jaren na zijn release de weg naar de harten van het internationale publiek vond, voorzag de studio van een mascotte: de charmante Totoro prijkt op het logo zoals Mickey dat jarenlang bij Disney deed. Ook buiten de bekende animatiestudio's ontstonden talloze meesterwerken. Zo experimenteerde regisseur Richard Linklater al meermaals met het medium, met onder meer zijn overweldigende Waking Life (2001) tot gevolg. De film is een droomachtige, existentialistische trip met een digitaal gerotoscopeerde Wiley Wiggins in de hoofdrol. Een verdere greep uit het eindeloze filmaanbod: Satoshi Kons Paprika (2006), L'illusionniste (2010) van Sylvain Chomet, de Belgische film Panique au village (2009, Stéphane Aubier, Vincent Patar), Anomalisa (2015, Duke Johnson & Charlie Kaufman) en Don Hertzfeldts It's Such a Beautiful Day (2012), hoewel die laatste in principe geen langspeelfilm is, maar een wondermooie aaneenschakeling van drie steengoede kortfilms. Disney is al enige tijd niet meer de enige speler die de populaire animatiecultuur kleurt. Kijk bijvoorbeeld - maar bij voorkeur niet uitsluitend - naar de Oscarnominaties voor animated feature film: twee van de vijf genomineerden (Moana (Ron Clements & John Musker) en Zootopia (Byron Howard & Rich Moore) ontsprongen uit de breinen van Disney-personeel, maar de drie andere contesteerders ontstonden elders. Met La Tortue Rouge (Michaël Dudok de Wit) en Ma vie de Courgette (Claude Barras) strijden er zelfs twee non-Amerikaanse films om het prestigieuze beeldje. De subcategorie van beste animatiefilm bestaat trouwens pas sinds 2000, aangezien zo'n prijs voordien voornamelijk gefungeerd zou hebben als een jaarlijks klopje op de schouders van The Walt Disney Company. Op honderd jaar tijd speelden filmmakers het klaar om een gigantische collectie aan oogstrelende parels te creëren. Magie kreeg wereldwijd duizend-en-een interpretaties, alsook af en toe een cynisch antwoord. Het medium ontwikkelde nieuwe technieken en alternatieve werelden die jong en oud meesleurden naar een universum vol eindeloze creativiteit. En het goede nieuws: de industrie denkt nog lang niet aan stoppen.