Het bericht over de dood van Robbe De Hert stond nog maar net op de nieuwsmedia of er verscheen al een tweet van de minister van Cultuur: 'Een groot regisseur heeft ons vandaag verlaten. RIP Robbe De Hert.' Een plichtpleging die bij de job hoort, wellicht. Maar toch.

In Vlaanderen kun je pas een groot kunstenaar worden als je sterft en niet meer lastig doet. Dan behoor je tot de canon.

Ik vroeg me af of de minister van Cultuur, behalve De Witte, nog één film van Robbe kan opnoemen.

Nooit vergeet ik de eerste keer dat ik Robbe interviewde, negen jaar geleden. Hij kwam brasserie Gustav in Antwerpen binnen met een plastic zak vol papieren. Alles had hij meegemaakt: de grootste triomfen, vernederingen, vrouwenhistories. Maar een journalist van Knack die hem wilde interviewen: dat dus nog nooit. 'Dertig jaar geleden kreeg ik een brief waarin stond: "Nooit zult u geïnterviewd worden door Knack."'

'En waarom niet?' vroeg ik.

'Ja schat, dat zou ik aan u moeten vragen. Dat stond er niet bij.'

'In Vlaanderen ben je pas een groot kunstenaar als je sterft en niet meer lastig doet.'

Na het interview gingen we met de trein naar het Filmfestival in Oostende. Hij had zijn toegangsticket vergeten, maar mocht zo binnen. Want 'hij was de film', zei het meisje aan de kassa. Politici van alle kleuren, die hem gisteren allemaal een 'groot kunstenaar' noemden, wandelden die avond in een wijde boog om hem heen. Maar dat deerde hem allemaal niet. Hij kwam - wellicht als enige die avond - voor de film. Een eeuwige cinemaloper.

In de trein terug naar huis zei hij dat 'ze hem nooit kapot gekregen hadden door te zeggen dat wat hij deed niets betekende'.

Mijn ogen gingen een paar jaar geleden pas echt open op de Nacht van Robbe in de Arenbergschouwburg, met dank aan Kris Verdonck. Natuurlijk kende ik De Witte en Blueberry Hill - wellicht ben ik de enige die ook de opvolger, Brylcream Boulevard, een goede film vindt. Maar die avond zag ik ook De Bom, Camera Sutra en Dood van een sandwichman: revolutionaire cinema uit de jaren zestig en zeventig van een 'groot kunstenaar'.

De jaren daarna zag ik hem, zoals heel Antwerpen, vaak op straat. Sukkelend en vloekend met zijn kruk. Hij woonde in een sociale blok op 't Zuid - vlak bij de plek waar die andere legendarische Antwerpse held, JMH Berckmans, zijn laatste dagen sleet. In dit land hebben ze een hekel aan monumentenzorg.

Ik hoop dat Robbe De Hert de raad van onze minister van Cultuur niet opvolgt: moge hij vooral niét rusten in vrede, maar hevig blijven spoken.

Het bericht over de dood van Robbe De Hert stond nog maar net op de nieuwsmedia of er verscheen al een tweet van de minister van Cultuur: 'Een groot regisseur heeft ons vandaag verlaten. RIP Robbe De Hert.' Een plichtpleging die bij de job hoort, wellicht. Maar toch. In Vlaanderen kun je pas een groot kunstenaar worden als je sterft en niet meer lastig doet. Dan behoor je tot de canon.Ik vroeg me af of de minister van Cultuur, behalve De Witte, nog één film van Robbe kan opnoemen.Nooit vergeet ik de eerste keer dat ik Robbe interviewde, negen jaar geleden. Hij kwam brasserie Gustav in Antwerpen binnen met een plastic zak vol papieren. Alles had hij meegemaakt: de grootste triomfen, vernederingen, vrouwenhistories. Maar een journalist van Knack die hem wilde interviewen: dat dus nog nooit. 'Dertig jaar geleden kreeg ik een brief waarin stond: "Nooit zult u geïnterviewd worden door Knack."''En waarom niet?' vroeg ik.'Ja schat, dat zou ik aan u moeten vragen. Dat stond er niet bij.'Na het interview gingen we met de trein naar het Filmfestival in Oostende. Hij had zijn toegangsticket vergeten, maar mocht zo binnen. Want 'hij was de film', zei het meisje aan de kassa. Politici van alle kleuren, die hem gisteren allemaal een 'groot kunstenaar' noemden, wandelden die avond in een wijde boog om hem heen. Maar dat deerde hem allemaal niet. Hij kwam - wellicht als enige die avond - voor de film. Een eeuwige cinemaloper.In de trein terug naar huis zei hij dat 'ze hem nooit kapot gekregen hadden door te zeggen dat wat hij deed niets betekende'.Mijn ogen gingen een paar jaar geleden pas echt open op de Nacht van Robbe in de Arenbergschouwburg, met dank aan Kris Verdonck. Natuurlijk kende ik De Witte en Blueberry Hill - wellicht ben ik de enige die ook de opvolger, Brylcream Boulevard, een goede film vindt. Maar die avond zag ik ook De Bom, Camera Sutra en Dood van een sandwichman: revolutionaire cinema uit de jaren zestig en zeventig van een 'groot kunstenaar'.De jaren daarna zag ik hem, zoals heel Antwerpen, vaak op straat. Sukkelend en vloekend met zijn kruk. Hij woonde in een sociale blok op 't Zuid - vlak bij de plek waar die andere legendarische Antwerpse held, JMH Berckmans, zijn laatste dagen sleet. In dit land hebben ze een hekel aan monumentenzorg.Ik hoop dat Robbe De Hert de raad van onze minister van Cultuur niet opvolgt: moge hij vooral niét rusten in vrede, maar hevig blijven spoken.