'Maar ik sta hier.'
...

'Maar ik sta hier.' Inspecteur Carlander had zich de laatste week voor zijn pensioen wel anders voorgesteld. Liefst zat hij nu in een Ierse pub te genieten van een namiddagbiertje, maar spijbelen is er deze keer niet bij. Voor zijn neus bikkelen een Masai-krijger en een geitenneukende kunsthandelaar over een servetje, met als inzet twee al dan niet vervalste schilderijen van Irma Stein. Er dwalen kleurrijke figuren in Stockholm rond en Carlander luistert met verbazing naar de ruzie. De Masai is op zoek naar zijn verloren zoon Kevin, die blijkbaar ook de zoon van de kunsthandelaar is. Bijkomend probleem: Kevin is doodverklaard, wat best raar is voor een jongen die levend en wel in de wachtzaal zijn verhoor afwacht. Kevin die verloofd is met Jenny, die op haar beurt getrouwd was met de kunsthandelaar: hoe oedipaal wil je het hebben? En hoe zit dat precies met die schilderijen? Carlander raakt er niet wijs uit. Dat was deels de bedoeling van Hugo, die achter de schermen gewiekst aan de touwtjes trekt. Verwarring stichten, zodat de ware toedracht toegedekt blijft. Hugo bestiert namelijk een wraakbedrijf: wie zijn rancune wil botvieren, kan bij hem terecht. Een jarenlange burenruzie? Een concurrent die je patent pikte? Een botte Tinder-date? Hugo lost het voor je op, liefst binnen de krijtlijnen van de wet, maar tegen het juiste bedrag behoort geweld en zelfs moord tot de mogelijkheden. Samen met Carlander krijgt de lezer een heel bizarre deurenkomedie voorgeschoteld die met elke pagina aan geloofwaardigheid verliest. In het begin wil je nog schoorvoetend meestappen in het burleske verhaal maar na de zoveelste deus ex machina en holderdebolderachtervolging slaat de apathie keihard toe, alle onderbroekenlol ten spijt. De Zweedse bestsellerauteur Jonas Jonasson lijkt op een pocherige oom die halfdronken het ene straffe verhaal na het andere opdist maar niet doorheeft dat iedereen de feestdis al lang heeft verlaten. Jammer, want uit dat wraakmotief kun je een knap verhaal puren. Dat lijkt Jonasson ook te beseffen: halverwege verwijst hij naar De graaf van Monte-Cristo en Hamlet, helaas twee voorbeelden die zijn mislukking nog dikker in de verf zetten.