'Je kunt het zien aan mijn films: sommige zijn onderhoudend, maar geen enkel idee dat ik ooit heb gehad zal de basis vormen voor een nieuwe godsdienst.' Je kunt niet beweren dat Woody Allen zichzelf spaart in zijn autobiografie. Wie zijn met minzame misantropie en nog meer rake punchlines gelardeerde werk kent, zal dat niet verbazen.
...

'Je kunt het zien aan mijn films: sommige zijn onderhoudend, maar geen enkel idee dat ik ooit heb gehad zal de basis vormen voor een nieuwe godsdienst.' Je kunt niet beweren dat Woody Allen zichzelf spaart in zijn autobiografie. Wie zijn met minzame misantropie en nog meer rake punchlines gelardeerde werk kent, zal dat niet verbazen. Zowat alles wat hem tot 's werelds meest geliefde schlemiel maakte, passeert de revue. Uit volle borst bezingt hij zijn liefde voor Manhattan, Groucho Marx, Ingmar Bergman, zijn jazzklarinet, Potato Head blues van Louis Armstrong en de appels van Cézanne. Maar tussen de herinneringen, anekdotes en aforismen door leest het boek ook als een - weliswaar objectiverende - lofzang op de vele vrouwen die zijn leven kleurden. Zijn nichtje Rita, die hem als Joodse schmuck de cinema deed ontdekken, zijn ex Diane Keaton, met wie hij Annie Hall en Manhattan draaide, zijn vrouw Soon-Yi, aan wie de memoires zijn opgedragen, de plejade aan bloedmooie actrices met wie hij werkte, ze krijgen allemaal hun serenade. Met één uitzondering: zijn voormalige muze en levenspartner Mia Farrow. Die wordt met nog meer devotie en pagina's neergezet als een wraakzuchtig kreng. 'Volgens sommige mensen is het glas halfvol, volgens anderen halfleeg. Wat voor mij altijd halfvol was, was de doodskist', pent Allen. Maar dan moeten de passages over de beschuldigingen van seksueel misbruik, waarin Farrow altijd een sleutelrol speelde, nog volgen. Voor wie de zaak heeft gemist: al in 1992 claimde Allens en Farrows adoptiedochter Dylan dat ze als kind door hem was misbruikt, wat ze een kwarteeuw later, in volle metoo-tijden, bleef herhalen. Het zorgde ervoor dat Allen, ook al werden de aantijgingen indertijd onderzocht, opnieuw door het stof moest. Amazon zegde zijn contract met hem op, zijn recentste film A Rainy Day in New York kreeg geen Amerikaanse release, en toen Hachette aankondigde dat het zijn memoires ging publiceren, dreigde het personeel ermee om op te stappen, waarop de uitgeverij de rechten doorverkocht. 'Ik heb Dylan nooit met een vinger aangeraakt, haar nooit iets aangedaan wat ook maar opgevat zou kunnen worden als misbruik; het was van begin tot het eind een verzinsel', zweert Allen en hij schreeuwt zijn onschuld in vele varianten uit. Als je hem op zijn woord mag geloven, dan was het Farrow die Dylan uit wraak opstookte nadat ze had ontdekt dat hij een affaire had met Farrows andere adoptiedochter Soon-Yi Previn. ('Ik vertrouwde erop', schrijft Allen, 'dat het een kwestie van tijd was voordat gezond verstand, redelijkheid en het bewijs zelfs de meest flegmatische onbenul zouden bereiken, maar ik dacht ook dat Hillary zou winnen.') Vele passages zijn aan het schandaal gewijd, maar voor wie geen zin heeft om opnieuw in die breed in de media uitgesmeerde bagger te duiken zijn er gelukkig nog 300 onbevlekte pagina's. Veel nieuws staat daar niet in. De stijl is soms even rommelig en lui als in zijn mindere films, en ook dit boek zal niet de basis vormen voor een nieuwe godsdienst. Maar Allen schrijft levendig, is exhaustief en strooit in vrijwel elke paragraaf het soort oneliners waar hij al decennia het patent op heeft. Of zoals hij zelf demonstreert: 'Als ik nu zou sterven zou ik niets te klagen hebben - en een heleboel mensen met mij.'