Als je leven verfilmd zou worden, welke scènes moeten er dan zeker in? Bekende medemensen schrijven het scenario van hun leven.
...

In een tentje op een camping ergens in Engeland is Brecht Evens druk aan het tekenen in zijn schetsboek. Met een zaklamp probeert hij zichzelf wat licht toe te werpen. Naast hem ligt zijn zus op haar luchtmatras te slapen. Vlak voor het slapengaan heeft hun vader hen opnieuw een geïmproviseerd verhaal verteld, en nu moet Brecht van zichzelf nog even tekenen. Elf is hij. Hij is al een paar jaar voortdurend aan het tekenen. Als hij zijn stripdagboek morgenochtend aan zijn moeder toont, zal ze opnieuw luid moeten lachen. Die stripdagboeken moeten het vooral hebben van komische overdrijving. Omdat zijn oudere zus en hij altijd de afwas doen, komen er veel afwasscènes in voor. De te wassen stapels worden soms astronomisch hoog, helemaal tot in de ruimte. Hij is moe. Ze hebben vandaag opnieuw lang gewandeld, langs kerken en kerkhoven, kastelen ook waar hij de belegeringen zo bij kon verzinnen. Toch moet hij nog even wakker blijven. Als hij de dag niet samenvat, zal zijn publiek teleurgesteld zijn. De speelplaats van een lagere school. Brecht ligt op een klimrek dat over de speelplaats gespannen is en houdt zich zo stil mogelijk. Recht onder hem staat Cindy, een meisje uit zijn klas. Opeens heeft hij de onbedwingbare neiging tot een acte gratuit: wat als hij nu eens in haar haar spuugt en dan snel verdwijnt? Zal iemand dan ooit te weten komen wat hij heeft gedaan? Hij waagt het erop, tuft in haar haar en vol van adrenaline kruipt hij als een krab weer van het rek. Vanuit de hoek van de speelplaats staart hij naar Cindy, die met haar vriendinnen aan het babbelen is, aan haar haar komt en schrikt. Haar gezicht slaat wit uit, ze begint te roepen, iedereen komt om haar heen staan. Een ontzettende angst maakt zich van hem meester. 'O nee', denkt hij. 'Wat heb ik gedaan?' Schandaal op de speelplaats. Iemand wijst naar Brecht en zegt dat hij hem zojuist op het klimrek heeft zien liggen. Brecht wordt tegen een muur geplaatst met een halve kring van kinderen rond hem, een soort kindertribunaal, zoals in Lord of the Flies. Gelukkig neemt zijn beste vriend Johannes zijn verdediging op zich. 'Wat jullie ook van bewijzen denken te hebben,' zegt Johannes, 'ik ben Brechts beste vriend, ik ken hem: Brecht zou zoiets nooit doen.' Het pleidooi werkt: Brecht wordt vrijgesproken en ontsnapt aan de woede van de menigte. Wanneer hij Johannes even later opbiecht dat hij eigenlijk toch schuldig is, is die zwaar ontgoocheld. Opnieuw is Brecht Evens druk aan het tekenen, in zijn oude slaapkamer in het ouderlijke huis in de rand van Hasselt deze keer. Op het behangpapier zijn de fantasyfiguren nog te zien die hij in zijn puberteit hier op de muren heeft getekend. Hij is negentien ondertussen en heeft hij nog een maand voor hij zijn tweede stripalbum Vincent moet indienen bij de uitgeverij. Een boek van een zeventigtal pagina's. Hij is zenuwachtig aan het worden: wat hij tot nog toe gemaakt heeft, vindt hij allesbehalve goed. Hij studeert al wel in Gent, aan Sint-Lucas, maar hij heeft nog nooit zo hard gewerkt. Met koffie houdt hij zichzelf een hele nacht wakker. Trillende handen weerhouden hem er niet van om zijn tekeningen te blijven herwerken. (fade-out, het scherm gaat even op zwart, we blijven het krassen van de potloden op papier horen, fade-in) Drie jaar later, Evens woont nu samen met een vriendin in een studio vlak bij Sint-Baafs in Gent. Hij werkt aan zijn volgende strip: Ergens waar je niet wil zijn. Het is midden in de nacht, de vriendin wordt wakker van zijn sigarettenrook. Ze maken even ruzie, maar na een kop koffie tekent Evens gewoon verder. Geen tijd te verliezen. De deadline nadert. De zomer van 2007, een discotheek in Madrid. Luide muziek, alcohol, veel dansende mensen. Feest. Evens is hier op citytrip - tijdens een Erasmusverblijf in Barcelona. Hij kust zijn vriendin en proeft onmiddellijk iets bitters op zijn tong. 'O fuck', roept de vriendin. 'Dat was mijn MDMA.' Kennelijk heeft Evens zojuist voor het eerst in zijn leven partydrugs genomen. Per ongeluk. Hij probeert zijn tong nog snel af te vegen, maar twintig minuten later overvalt hem een heerlijk gevoel. Hij blijft de hele nacht non-stop dansen. Onvermoeibaar is hij plots. Evens is nog altijd aan het dansen, nu in de Zuid-Franse stad Angoulême, waar hij op het jaarlijkse stripfestival een prijs heeft ontvangen voor Ergens waar je niet wil zijn, zijn strip waarin ook veel dansende mensen te zien zijn. De Prix de l'Audace heeft hij gewonnen, de Prijs van de Stoutmoedigheid. En stoutmoedig is hij: op het podium roept hij zijn gsm-nummer naar het publiek en daarna vraagt hij iedereen om die nacht mee te komen vieren. 'We maken er samen een groot feest van!' Met trillende benen - hij heeft amper gegeten - stort hij zich in het feestgedruis. We zijn twee jaar later. Opnieuw trillen zijn benen. In het toilet van Sint-Lucas deze keer, zijn vroegere school, waar hij samen met zijn vriend en collega Brecht Vandenbroucke - 'rosse Brecht' - prof Goele Dewanckel verving. Evens heeft het slechts drie maanden volgehouden. Hij stort in, in het toilet, en rosse Brecht moet het van hem overnemen. Wat hij nog niet weet, is dat dit het moment is dat het begin van zijn bipolaire periode inluidt, als gevolg van de partydrugs die hij ook na Madrid is blijven nemen. Op feestjes heeft hij al een paar waarschuwingen gekregen: alsof er ineens een koude wind door hem heen blies, waardoor hij moest gaan liggen of een wandeling maken. Pas na de paniekaanval in het toilet zal hij de ernst van de situatie inzien: zo kan het niet verder, hij moet alles laten vallen. Hij staat onder de douche van het ouderlijke huis. Zijn vader draait het water een beetje warmer. Kennelijk heeft Evens het koud. Even later ligt hij op de bank in de woonkamer. Met zijn hoofd op de schoot van zijn vader kijkt hij naar een natuurdocumentaire. Zeelandschappen. Hij bevindt zich in een depressieve staat, veel indrukken registreert hij niet. Zijn ouders, twee germanisten, zijn net met pensioen. Anders dan ze dachten, zit hun verzorgende taak er nog niet op: ineens is hun volwassen zoon weer thuis en zo te zien heeft hij veel hulp en liefde nodig. Na drie weken keert Evens terug naar Gent. Het grootste deel van zijn tijd gaat op aan platliggen en niet proberen te panikeren. Dat is al heel wat. Een nachtwinkel in Tokio. Evens heeft zichzelf in een hoek gebarricadeerd. Hij draagt een T-shirt als broek, een bontjas, een zonnebril met panterogen en op zijn rug een pijlkoker met pluchen beertjes. In zijn hoofd hoort hij een medley van Party Up van DMX en Man with a Harmonica van Ennio Morricone. Zijn stem is die van Antonio Banderas als de Gelaarsde Kat in Shrek 2. Voor hem liggen naamkaartjes die hij de voorbije dagen overal heeft verzameld. Ergens heeft hij gelezen dat die heilig zijn in Japan, en het blijkt te werken: met de naamkaartjes houdt hij de politieagenten die hem willen arresteren even op afstand. Hij is hier in opdracht van Louis Vuitton. Het Franse luxemerk heeft hem gevraagd om een artbook over Tokio te maken. Maar in plaats van te tekenen denkt Evens de hele tijd dat hij in het laatste level van een computerspel is beland. Hij wordt opgejaagd door geheime genootschappen die hem per se als lid willen. 'Maar ook al ben ik de nieuwe Jezus, Che Guevara of Walt Disney,' denkt hij, 'ik wil mezelf nu ook weer niet te serieus nemen.' Eerder die avond weigerde zijn bankkaart in een bar een fles champagne af te rekenen en dus is hij gaan lopen, tot in de hoek van deze nachtwinkel. In een van de agenten die hem insluiten, herkent hij in zijn waan een Franse vriendin. Hij wrijft zachtjes over zijn kont. De magie van de naamkaartjes is uitgewerkt. Een van de agenten zet een voet op zijn keel, zodat hij zich niet meer kan verroeren. Zij hebben een zwarte gordel, hij absoluut niet: de klus is snel geklaard. Evens ligt op een bed in een Japans psychiatrisch ziekenhuis, vastgebonden, met een bord Japans eten voor hem. Het duurt even voor het delirium helemaal voorbij is. Hij is omringd door Japanners, met wie hij jammer genoeg geen woord kan uitwisselen. (fade-out, het scherm gaat even op zwart, we blijven het tikken van messen en vorken op borden horen, fade-in) In zijn bord ligt nu geen Japans eten meer, maar een boterham met kaas. Naast hem zijn alleen maar Limburgers te zien. We zijn in een psychiatrisch centrum in Sint-Truiden, waar Evens drie maanden zal blijven. Hier daalt hij uit zijn deliriumtrip af, als in een omgekeerde Rocky-montage: zijn energie wordt dag na dag minder, zijn fantasie steeds minder wild, tot hij niets anders meer uitvoert dan romans lezen en bloemetjes voor de kerstversiering plooien. In de verte, in de gezamenlijke ruimte, speelt een muziektelevisiezender de hits van deze winter: Talk Dirty van Jason Derulo, Started from the Bottom van Drake en Wrecking Ball van Miley Cyrus. Een appartement in Parijs. Opnieuw regressie, opnieuw depressie, zoals bij zijn ouders in Hasselt. Flantaart en oude films. Een beschermende cocon bij een Franse vriendin. Aarzelend gaat Evens na een tijd aan zijn bureau zitten om Panter af te werken, zijn nieuwe stripboek. Voorzichtig durft hij weer naar buiten. Op onzekere voet gaat hij het leven weer binnen. Een paar maanden later is hij genezen en staat hij opnieuw te dansen in een nachtclub, op de hits van een jaar voordien. Jason Derulo, nu in een heel ander decor. In de nachtclub is zijn beschermende vriendin nergens te bekennen. Het leven passeert discreet. We horen en zien Evens over de voorbije periode vertellen: aan een lief, aan vrienden, aan journalisten, in zijn strips. Hij is blij dat het avontuur hem is komen vinden, maar de toon waarop hij erover vertelt, varieert voortdurend. Soms is het een luide anekdote, soms een intieme getuigenis. De ene keer klinkt hij al authentieker dan de andere. Kunnen we deze hele biopic eigenlijk wel vertrouwen? Evens zit te wiebelen op een stoel op een terras in Parijs, waar hij nog altijd woont. Of is het een bootje op de Seine? Het beeld schudt in elk geval mee. De zon schijnt, maar onder het bootje zwemmen vervaarlijk uitziende, donkere vissen. De sfeer is niet die van triomf. Geen happy ending in deze film. Hij heeft simpelweg dom geluk en veel hulp gehad, beseft hij. De situatie is wankel, het gaat goed, maar hij kan zo weer in het diepe vallen. Het water klotst steeds harder. Op de kade praten mensen. Een tram passeert. In de verte loeien sirenes. Dichterbij, iemand die lacht. Deze zomer werkt Brecht Evens verder aan zijn volgende boek, 'een Bretoense Harry Potter' noemt hij het, een detectiveverhaal pur sang. Overal waar hij gaat, zeult hij ringmappen vol schetsen en storyboards met zich mee. De tekeningen die hij in het psychiatrisch centrum van Sint-Truiden maakte, steken in een lade in zijn appartement in Parijs met daarop 'zot' geschreven. Prof Goele Dewanckel is onlangs met pensioen gegaan. De moeder van Johannes kwam Evens groeten op de openingsavond van zijn expo in Hasselt, die nog de hele zomer loopt. Wat er van Cindy is geworden, weet hij niet. Hij zou zich wel nog eens duidelijk willen verontschuldigen voor die fluim, destijds. Dus bij deze: 'Sorry, Cindy.'