Een heel koninkrijk zou de jonge Juli Zeh veil hebben voor een paard. In haar tienerjaren is ze een fanatiek paardenmeisje, het type kind dat al haar vrije tijd in een manege doorbrengt, daar mest en hooi schept en vanaf de tribunes op een gratis ritje op haar favoriete lespaard hoopt. Hoe ze ook jengelt en smeekt, haar ouders kunnen zich geen paard veroorloven, want een paard heeft een weide nodig, en voeder, en tuigage, en een hoefsmid, en een dierenarts, en de dagelijkse zorg van een meisje dat ook nog naar school moet. Een paard kost je een rib uit het lijf. Ee...

Een heel koninkrijk zou de jonge Juli Zeh veil hebben voor een paard. In haar tienerjaren is ze een fanatiek paardenmeisje, het type kind dat al haar vrije tijd in een manege doorbrengt, daar mest en hooi schept en vanaf de tribunes op een gratis ritje op haar favoriete lespaard hoopt. Hoe ze ook jengelt en smeekt, haar ouders kunnen zich geen paard veroorloven, want een paard heeft een weide nodig, en voeder, en tuigage, en een hoefsmid, en een dierenarts, en de dagelijkse zorg van een meisje dat ook nog naar school moet. Een paard kost je een rib uit het lijf. Een paard is enkel weggelegd voor de elite. Veel later, na haar rechtenstudies en haar ontluikende carrière in de letteren, zal Zeh toevallig toch nog paardeneigenaar worden: een verhuis naar het platteland, een getraumatiseerd paard rijp voor de slacht en voor ze het goed en wel beseft, spendeert ze haar dagen met een verwilderde knol die ze met engelengeduld probeert te temmen. Zeh is een paardenvrouw geworden en in haar nieuwe essaybundel probeert ze haar obsessie met de edele dieren in een ruimer kader te plaatsen. Op zich is de verhouding tussen paard en mens bizar. Een paard is een vluchtdier, een herbivoor die mensen wantrouwt. Niet alleen omdat wij roofdieren zijn, maar ook omdat we paarden eeuwenlang mishandeld hebben als lastdier en kanonnenvoer op het slagveld. Nu nog misbruiken we ze: ruiterscholen misvormen hun lijven en laten ze tegennatuurlijke pirouettes draaien onder dreiging van de rijzweep. Stel je voor dat een dwerg in je nek zou zitten, een bit tussen je tanden wringen en sporen in je flank drukken. De gedachte alleen al doet je steigeren. Zeh betoont zich heel kritisch voor onze geïndustrialiseerde omgang met dieren en pleit voor een zachtere aanpak. Terwijl ze over haar hippische liefde schrijft, draaft Zeh langs allerlei thema's en ze maakt daarbij onverwachte sprongen. Waarom zijn vooral vrouwen tuk op paarden? Symboliseren ze de nieuwe feministische golf? Waarom heeft haar paard haar een betere schrijver gemaakt? En moeten we niet af van onze misplaatste obsessie met 'identiteit'? In de ogen van ondergetekende zijn paarden leuke decorstukken om het platteland en defilés mee op te vrolijken maar deze bundel verorber je als een sappige paardensteak. Dat zegt iets over Zehs talent, een talent dat ze in deze bundel zelfs relativeert, wat haar zo mogelijk nog een grootser auteur maakt.