In 1994 daalde biologe Penny Boston af tot op de bodem van de Lechuguilla-grot in New Mexico, ruim zeshonderd meter onder de grond. 'De beste benadering van een reis naar een andere planeet, zonder de aarde daadwerkelijk te verlaten', zo omschreef ze haar expeditie. Ze verwachtte er geen leven aan te treffen, tot een druppel water in haar traanklier belandde en haar oog onmiddellijk opzwol. Er was maar één verklaring mogelijk: een bacteriële infectie. Tot dan waren microbiologen sceptisch over leven op zulke plekken - te heet, te hoge druk, geen voedselbronnen - maar sindsdien worden er steeds meer organismen ontdekt...

In 1994 daalde biologe Penny Boston af tot op de bodem van de Lechuguilla-grot in New Mexico, ruim zeshonderd meter onder de grond. 'De beste benadering van een reis naar een andere planeet, zonder de aarde daadwerkelijk te verlaten', zo omschreef ze haar expeditie. Ze verwachtte er geen leven aan te treffen, tot een druppel water in haar traanklier belandde en haar oog onmiddellijk opzwol. Er was maar één verklaring mogelijk: een bacteriële infectie. Tot dan waren microbiologen sceptisch over leven op zulke plekken - te heet, te hoge druk, geen voedselbronnen - maar sindsdien worden er steeds meer organismen ontdekt, zelfs in die mate dat de ondergrondse biomassa even omvangrijk wordt ingeschat als de bovengrondse. Sommige evolutionaire biologen opperen zelfs de theorie dat het leven dáár is ontstaan, en niet in warmwaterpoelen aan de oppervlakte. Al sinds zijn jeugd, toen hij vlak bij zijn huis een verlaten metrostation ontdekte, voelt journalist Will Hunt zich aangetrokken tot de onderwereld. De diepte lonkt en stoot af, zo stelt hij tijdens zijn wereldwijde afdalingen vast. In de Parijse catacomben ontdekt hij zowel massagraven als een ondergrondse cinemazaal. In het kielzog van urban explorers leert hij een volledige subcultuur kennen van amateurspeleologen en graffitikunstenaars die de onderwereld als een vrijhaven beschouwen, een plek waar ze ongemoeid en in alle rust hun creativiteit kunnen botvieren. Onvervaard volgt Hunt Boliviaanse kompels die ertsen opdelven en een bizarre demon aanbidden die volgens hen mijnwerkers beschermt of opvreet, naargelang de offergaven. Of hij kopieert het experiment van de Franse geoloog Michel Siffre, die maandenlang in totale duisternis leefde en ten prooi viel aan hallucinaties en extreme desoriëntatie, een onderneming die de interesse wekte van zowel de NASA als de CIA. Testen met extreem isolement kunnen namelijk dienen om lange ruimtereizen na te bootsen en zintuiglijke deprivatie blijkt een uitstekende foltermethode te zijn, als je slachtoffer tenminste niet stapelgek wordt. Tussen al zijn speleologische avonturen door mijmert Hunt over onze band met de dieperik. Waarom zijn we net als Dante geneigd om de ondergrond met de hel te associëren maar graven we tegelijk schuilkelders in tijden van koude oorlogen en pandemieën? Hoe zijn we van grotbewoners naar landmensen geëvolueerd? Kan de ondergrondse biodiversiteit ons tonen hoe we kunnen overleven op het onherbergzame oppervlak van Mars? En liggen er nog virussen te slapen in diepe, maar snel wegsmeltende ijskappen? Lees en huiver.