Kolonel Osborne vindt het allemaal nogal hinderlijk gedoe, zo'n lijk in de bibliotheek. Zeker, hij kon pastoor Lawless wel pruimen - fijne kerel om mee te gaan jagen - maar om nu leeg te bloeden op het Perzisch tapijt, dat getuigt van weinig manieren. Daarenboven moet hij nu al dat plebs in zijn mansion verdragen: agenten aan de deur, forensische pathologen die met hun besneeuwde schoenen het huis in en uit banjeren, nieuwsgierige buren die onder het mom van rouwbetuigingen op roddeljacht komen, en dan die inspecteur Strafford die zijn neus in allerlei familiegeheimen steekt.
...

Kolonel Osborne vindt het allemaal nogal hinderlijk gedoe, zo'n lijk in de bibliotheek. Zeker, hij kon pastoor Lawless wel pruimen - fijne kerel om mee te gaan jagen - maar om nu leeg te bloeden op het Perzisch tapijt, dat getuigt van weinig manieren. Daarenboven moet hij nu al dat plebs in zijn mansion verdragen: agenten aan de deur, forensische pathologen die met hun besneeuwde schoenen het huis in en uit banjeren, nieuwsgierige buren die onder het mom van rouwbetuigingen op roddeljacht komen, en dan die inspecteur Strafford die zijn neus in allerlei familiegeheimen steekt. Neen, het zint de kolonel niet, maar hij begrijpt ook dat een onderzoek noodzakelijk is. Dit is het Ierland van de jaren vijftig en een neergestoken priester kan de religieuze spanning danig oppoken. Ook Strafford snapt dat een doofpot dreigt. Zijn oversten zouden het lijk liefst onder het bewuste tapijt vegen en de aartsbisschop uit nu al zijn 'bezorgdheid' over mogelijke personthullingen, temeer omdat Lawless vroeger al eens berispt werd wegens té vriendelijke omgang met minderjarige jongetjes. Dat type schandaal heeft de katholieke kerk niet nodig. Strafford wordt er dan nog eens fijntjes op gewezen dat zijn protestantse achtergrond geen alibi mag zijn om al te gretig op onderzoek uit te trekken, en hij doet er goed aan te onthouden dat de vader van pastoor Lawless een advocaat van de IRA was - niet meteen lieverdjes. Met al die tegenwerking vlot het onderzoek niet echt. En hoewel iedereen vol lof is over pastoor Lawless, blijkt ook iedereen verdacht. De kolonel vond dat de priester wel heel vaak in het salon van zijn vrouw bleef hangen - zijn twééde vrouw trouwens, want de moeder van zijn kinderen is jaren geleden ongelukkig ten val gekomen na een ruzie. Ongelukkig? Daar denkt zijn wulpse dochter Lettie anders over: een licht duwtje is gauw gegeven. Tegelijk heeft ook Lettie een motief. Misschien was pastoor Lawless van plan haar ouders in te lichten over haar losbandige gedrag met stalknecht Fonsey, op zijn beurt ook een verdachte: in zijn jonge jaren verbleef hij in een instelling waar Lawless met zijn grijpgrage handjes leraar was. Ondertussen raakt de plaats delict ingesneeuwd zodat auteur John Banville al zijn protagonisten gevangen kan houden in een spannende thriller die niet gespeend is van ironie. Zijn mondige personages spotten zelf met het Poirot-gehalte van zijn misdaadverhaal en zo is de auteur de clichékritiek handig voor. Banville lijkt zich danig te amuseren met het genre en dat schrijfplezier slaat over op de lezer. Alleen jammer dat pientere lezers al halverwege zullen doorhebben waarom de dolk net in de nek belandde.