Het begint nochtans lieflijk: op 16 november 1986 wandelt de dan dertienjarige Selva Almada de tuin in waar haar vader op zijn dooie akkertje vlees grilt, een koelbeker wijn bij de hand. Die nacht heeft de huiskat in Selva's bed gejongd en nu is ze op zoek naar de kittens. Het is een zoele Argentijnse najaarsdag, de belofte van snoezige poesjes en een landerige barbecue hangt in de lucht, tot de transistorradio de volksmuziek onderbreekt voor een nieuwsbulletin: in het naburige dorp San José is een tiener in haar slaap vermoord. Andrea Danne was negentien, studeerde psycho...

Het begint nochtans lieflijk: op 16 november 1986 wandelt de dan dertienjarige Selva Almada de tuin in waar haar vader op zijn dooie akkertje vlees grilt, een koelbeker wijn bij de hand. Die nacht heeft de huiskat in Selva's bed gejongd en nu is ze op zoek naar de kittens. Het is een zoele Argentijnse najaarsdag, de belofte van snoezige poesjes en een landerige barbecue hangt in de lucht, tot de transistorradio de volksmuziek onderbreekt voor een nieuwsbulletin: in het naburige dorp San José is een tiener in haar slaap vermoord. Andrea Danne was negentien, studeerde psychologie, had een vriendje en een leven dat nog moest beginnen. Iemand had een mes in haar hart geplant. Het spook van Andrea zal Almada blijven achtervolgen. Want zij is niet het enige vermoorde meisje in Argentinië, niet het enige slachtoffer van een geweldgolf: 'Ik wist niet dat een vrouw kon worden vermoord, gewoon omdat ze vrouw is.' Een greep uit de gruwelton: serieel verkrachte tienermeisjes, op vuilnisbelten gedumpte lijken (gewurgd met een riem, de tepels afgehouwen, de baarmoeder uitgesneden), aan oevers ontdekte skeletten, als stille getuigen van oude verdwijningszaken waar niemand nog om maalt. De lijst is lang, veel te lang. Almada trekt op onderzoek uit en focust zich naast Andrea op nog twee andere meisjes die afgeslacht werden. Ze pluist politiedossiers uit, spreekt met nabestaanden, interviewt oude verdachten. En dat zijn er nogal wat. De sporen leiden naar wrokkige ex-minnaars, buschauffeurs met een voorliefde voor minderjarige sekswerksters, naar de eigenaar van een hippe platenzaak, en naar de vaders én moeders van de gedoemde meisjes. Tussendoor vertelt Almada over de vrouwenhaat die ze zelf heeft mogen ondervinden en de horrorverhalen die meisjes elkaar toefluisteren opdat ze toch maar op hun hoede zouden blijven voor de mannelijke roofdieren die de Argentijnse straten bevolken. Hoe vanzelfsprekend hun borsten betast worden, hoe tienerzwangerschappen meer regel dan uitzondering zijn, hoe makkelijk je in een gracht kunt belanden, weggegooid als een stuk vuil waar nog wat zaad uit druipt. Almada schuwt, volledig terecht, de walgelijke details niet. Echt wraakroepend is het uitblijven van een oplossing. Decennia-oude moorden los je niet zomaar op, maar de systemische desinteresse waar Almada op botst, is zo mogelijk nog erger. Vrouwenhaat lijkt diep verankerd te zijn in de Argentijnse maatschappij. Dode meisjes leest als een broodnodige aanklacht en een schrijnend requiem voor al die verloren meisjesdromen.