Het is een vredig tafereel. Toch op het eerste gezicht, toch in de ogen van het kindermeisje. Haar werkgeefster Alice ligt te slapen op het bed, samen met haar tweeling, een jongen en een meisje die schijnbaar ingedommeld zijn. Alice ligt met één borst ontbloot, alsof ze haar kroost net nog heeft gezoogd en nu even een hazenslaapje doet. Maar wanneer het kindermeisje de tweeling in hun kribbe wil leggen, deinst ze terug: hun lippen zijn blauw, hun huid akelig koud. 'Nu zijn ze veilig', fluistert Alice, een bezwering die ze als een mantra zal blijven herhalen, ook tegen de politie en de ambulanciers, ook tegen haar man Ritxi. Hij komt net op tijd thuis om te zien hoe zijn kinderen in ...

Het is een vredig tafereel. Toch op het eerste gezicht, toch in de ogen van het kindermeisje. Haar werkgeefster Alice ligt te slapen op het bed, samen met haar tweeling, een jongen en een meisje die schijnbaar ingedommeld zijn. Alice ligt met één borst ontbloot, alsof ze haar kroost net nog heeft gezoogd en nu even een hazenslaapje doet. Maar wanneer het kindermeisje de tweeling in hun kribbe wil leggen, deinst ze terug: hun lippen zijn blauw, hun huid akelig koud. 'Nu zijn ze veilig', fluistert Alice, een bezwering die ze als een mantra zal blijven herhalen, ook tegen de politie en de ambulanciers, ook tegen haar man Ritxi. Hij komt net op tijd thuis om te zien hoe zijn kinderen in grijze zakken worden gestopt. Een schrijfster raakt gefascineerd door de gruwelberichten in de pers, en niet alleen omdat ze zelf op het punt staat te bevallen. Er is meer, alleen kan ze er de vinger niet op leggen. Pas in het kraambed, tussen twee pijnlijke weeën door, valt het kwartje: ze kent Alice van vroeger, toen Alice nog onder de naam Jade door het jonge leven dartelde. Dan al, tussen het bloed en het slijm en de pijn en vreugde, is de beslissing gemaakt: hier zal ze een boek over schrijven. Want ze wil het begrijpen, net als iedereen. Waarom doodt een moeder haar baby's? Met de hulp van haar man, haar spaarcenten en een literaire prijs die als manna uit de Baskische hemel komt gevallen, zal ze haar moederschapsverlof wijden aan het drama. Dat is overigens makkelijker gezegd dan gedaan als je maandenlang maar drie uur aan een stuk slaapt en in je omgeving op onbegrip stoot omdat je je kind naar de crèche brengt. Ook haar research vlot niet. Jade was vroeger inderdaad een mythomaan en kon met haar schoonheid rijke mannen om haar vinger winden, maar haar leven als Alice leek sprookjesachtig: geen tekenen van postnatale depressie, geen bewijs van een kil hart. Zelfs tijdens de rechtszaak blijft de schrijfster twijfelen: is Alice nu een moderne Medea of slechts het slachtoffer van haar op hol geslagen hormonen? De Baskische schrijfster Katixa Agirre denkt via het aangrijpende verhaal van Alice na over de stigma's waar schrijvende moeders mee kampen. De geschiedenis, geschreven door mannen, is niet mals voor vrouwen die zich niet met volle overgave aan hun kroost wijden. Het wordt nog erger wanneer moeders denken dat ze naast die levenstaak ook nog eens auteur moeten zijn - aan de haard, niet aan de schrijftafel is het devies. In korte essayistische overpeinzingen snijdt Agirre in deze roman de misogyne etterbuil open. Wat dan nog als Doris Lessing haar kinderen in de steek liet om te schrijven? Hoe komt het dat Sylvia Plath als jonge moeder zo gelukkig leek, tot vlak voor haar ovenmoment? Waar waren de vaders, waarom stonden zij hun echtgenotes niet bij? Knap hoe Agirre die moeilijke vragen opwerpt in een spannende rechtbankthriller. Mits enige moed is dit het ideale cadeauboek voor uw volgende kraambezoek.