De muziekindustrie: een seksistisch, voornamelijk blank mannenbastion, de speeltuin van haaien, van profiteurs, van machtsgeile geldwolven, die met wurgcontracten en andere duistere deals het talent in hun portfolio liever versmachten dan aanmoedigen. Zo willen de clichés het.
...

De muziekindustrie: een seksistisch, voornamelijk blank mannenbastion, de speeltuin van haaien, van profiteurs, van machtsgeile geldwolven, die met wurgcontracten en andere duistere deals het talent in hun portfolio liever versmachten dan aanmoedigen. Zo willen de clichés het. Nochtans komen ook platenbonzen in vele soorten. Er zijn de megalomane, maffioze boekhouders, maar ook de visionairen, die hun zakeninstinct combineren met een groot muziekhart, lui als Chris Blackwell van Island, zonder wie de legende van Bob Marley nooit verder dan Jamaica had gereikt, of Rick Rubin, die mee aan de wieg stond van Def Jam en zo hiphop introduceerde bij het grote publiek. Blackwell en Rubin zijn ook twee entrepreneurs aan wie Richard Russell zich spiegelde toen hij in 1994, als jonge twintiger, aan het hoofd van XL Recordings kwam te staan. Liberation through Hearing is zijn verhaal, maar vooral dat van een klein Londens label dat een grote wereldspeler werd.Russell start zijn boek in mei 2019, op het feest voor Adeles 31e verjaardag - in het landhuis waar delen van The Godfather werden gefilmd -, keuvelend met Jay-Z en Beyoncé. Een tactische openingszet, want daarna gaan deze memoires van een muziekmagnaat grotendeels voorbij aan glamour en bacchanalen. Sensationele anekdotiek blijft achterwege, ook wanneer hij vertelt over zijn eerste grote succes: The Prodigy, die eerst in eigen land doorbraken en daarna ook Amerika veroverden. Zelfs wanneer zich een open deur aanbiedt, zoals in een passage over wilde orgieën georganiseerd door NWA-rapper Eazy E, bewaart hij een nuchtere, mild sarcastische afstand: 'I was not to receive any such invite, but the sports bar was fun.'Muziekliefhebber eerst, daarna pas bevoorrechte getuige van de rich and famous: Russell is op z'n best als hij over muziek schrijft. Over hoe hij als kleine jongen via The Beatles en popmuziek 'ontsnapte' aan zijn beklemmende joodse opvoeding, over zijn vroege liefde voor rap, waarin hij een erfgenaam zag van de punk, over het ontstaan van de ravescene, waarin hij een klein radertje was, en over de hedendaagse clubcultuur. Als platenbaas worstelde hij met de valkuilen van ambitie en succes - en met zijn eigen ego - maar kon hij ook samenwerken met oude helden als Gil Scott-Heron en Bobby Womack, herinneringen waarbij hij merkbaar opleeft. 'Zowel religie als muziek bieden een manier om het onzichtbare te zien', schrijft hij, 'en een noodzakelijk ontsnappen aan de soms ondraaglijke hardheid van de realiteit.' Dat vat dit persoonlijk maar rijkelijk gestoffeerd relaas mooi samen.