Luchthavens zijn de aardse versie van het vagevuur: straks mag je naar de hemel, maar eerst moet je in deze gematigde hel van staal en glas je straftijd uitzitten. Ook de bijna-zeventigjarige Ivo Brandani zit gevangen in het limbo van de transitzone. Zijn vliegtuig naar Sharm-el-Sheikh heeft vertraging, doch geen nood: er is Temesta, een krant en de tuimelende gedachten in zijn hoofd. Terwijl hij in een krap kuipstoeltje de toeristenmassa observeert, overdenkt hij zijn lange leven.
...

Luchthavens zijn de aardse versie van het vagevuur: straks mag je naar de hemel, maar eerst moet je in deze gematigde hel van staal en glas je straftijd uitzitten. Ook de bijna-zeventigjarige Ivo Brandani zit gevangen in het limbo van de transitzone. Zijn vliegtuig naar Sharm-el-Sheikh heeft vertraging, doch geen nood: er is Temesta, een krant en de tuimelende gedachten in zijn hoofd. Terwijl hij in een krap kuipstoeltje de toeristenmassa observeert, overdenkt hij zijn lange leven. Altijd een buitenstaander geweest, Brandani. Een tweederangsfiguur: niet krachtig genoeg om op te komen tegen zijn strenge vader, te laf om zich aan te sluiten bij de revolutionaire studentenbeweging aan de universiteit, niet intelligent genoeg om zijn studie filosofie af te werken en uit gemakzucht besluit hij dan maar om braaf ingenieur te worden. En ook in zijn beroepsleven oogst hij weinig succes: nooit zal hij een gebouw ontwerpen, nooit zal hij een brug bouwen, altijd staat hij op het achterplan, altijd is hij het knullige slaafje van managers die wel over een pitbullmentaliteit beschikken. De vrouwen in zijn leven verlaten hem één voor één: of ze vinden een spannender man, of hij verknoeit het zelf door zijn puberale ontrouw. Het maakt van Brandani een bittere, norse man. Iemand die inwendig kookt, maar uitwendig altijd beleefd blijft. Het vergt weinig moeite om in Brandani de belichaming van het West-Europa van de voorbije vijftig jaar te herkennen. Een continent dat in vrede leeft, dat zich - ondanks de revolte in de jaren zestig - heeft neergelegd bij het neoliberalisme en daar de vruchten van plukt in de vorm van massatoerisme, tweede auto's en villa's in de buitenwijken. Een misnoegd continent ook: te verwend om de vredestijd te appreciëren, te bang om weerstand te bieden aan de afbreuk van de welvaartsstaat. Brandani lijkt weggelopen uit een roman van Michel Houellebecq, maar zijn schepper, de Italiaanse debutant-op-leeftijd Francesco Pecoraro - hij is de zeventig voorbij -, heeft hem die typische sarcastische kwaadaardigheid ontzegd, zodat hij overkomt als een laffe cynicus. Niet meteen een verteller die sympathie opwekt maar de levensverhalen van de knullige mislukkeling boeien wel, ook al moet je je soms door de gedachtenstroom ploegen: Pecoraro weigert Brandani's leven chronologisch neer te schrijven en vaak springt hij associatief van de hak op de tak. Dat levert een verbrokkelde en soms overvolle roman op, waarin knappe scènes worden afgewisseld met bitsige parlando's, maar dat maakt Brandani bijna menselijk, de moeilijke vriend met wie enkele wachturen op de luchthaven tegelijk leuk en enerverend kunnen zijn.