Ingrid Barrøy droomt van het vasteland. Niet omdat haar leven op een eiland voor de Noorse kust zwaar is - hard werken schrikt haar niet af, geeft ook zin aan het bestaan - maar puur uit nieuwsgierigheid. Hoe ziet de wereld eruit als die wereld niet beperkt is tot een paar vierkante kilometer land te midden van een woeste, koude zee?
...

Ingrid Barrøy droomt van het vasteland. Niet omdat haar leven op een eiland voor de Noorse kust zwaar is - hard werken schrikt haar niet af, geeft ook zin aan het bestaan - maar puur uit nieuwsgierigheid. Hoe ziet de wereld eruit als die wereld niet beperkt is tot een paar vierkante kilometer land te midden van een woeste, koude zee? Haar vader Hans denkt daar anders over. Het is zijn eiland, van hem alleen, en die vrijheid wil hij niet opgeven. Maar hij wil het vasteland wel iets dichterbij hebben. Hij droomt van een kade waar het melkschip wekelijks kan aanleggen. Dan zou hij koeien kunnen kweken en hoeft hij niet zelf naar de handelspost te zeilen. Grootvader Martin vindt het een dwaas plan maar nu zijn krachten tanen, heeft zijn zoon beslissingsrecht - zo zit de natuurlijke orde in elkaar - en dus bouwen ze samen een nieuwe voorraadschuur en heien ze palen voor een aanlegsteiger. Daar denkt de wind dan weer anders over: hij droomt van vrije passage, dat gebouw staat zijn adem in de weg. Machteloos moet het gezin toekijken hoe de schuur tot wrakhout herleid wordt. Maar van opgeven is geen sprake: de storm blaast omver, de mens bouwt weer op. Alleen Barbro, de tante van Ingrid, droomt nergens van. Sommige mensen zouden haar zwakzinnig noemen, anderen zouden haar als wijs bestempelen. In elk geval heeft zij geen last van ontsnappingsdrang of hoogmoed. Toch, zo blijkt, heeft zij de toekomst van het eiland in handen. Nietig zijn ze, de Barrøys. Terwijl ze strijden tegen de almachtige elementen, vraag je je af wie gelijk heeft: de koppige Hans of de avontuurlijke Ingrid. Maar maakt het uit? Beiden zijn amper zichtbaar op hun eiland en hun dromen zijn tegelijk te groot en te klein. Een kade zal het verschil niet maken, en wat is het vasteland waard als je je familie moet verlaten? Roy Jacobsen schrijft met mededogen. Zijn personages bedoelen het goed, het is niet hun schuld dat ze ten prooi vallen aan fata morgana's: dromen van onbereikbare horizonten, het zit in de mens ingebakken. Oog voor detail heeft de Noorse schrijver ook. Omstandig beschrijft hij het ruwe boeren- en vissersleven op zulke eilanden. Dat draagt bij aan de geloofwaardigheid, maar soms krijg je het gevoel dat je een heemkundig verslag leest, alsof Jacobsen zijn research etaleert en geen enkele obscure vissersterm onbenut wil laten. Voor wie van pastorale familiegeschiedenissen houdt, is De onzichtbaren een aanrader, maar evengoed kun je afknappen op deze zoveelste saga over de kleine mens versus de natuur.