De oerknal is een Belgische ontdekking. In 1931 formuleerde pater Georges Lemaître een geniale theorie: als het heelal uitdijt, dan moet het ooit ontstaan zijn uit een singulariteit, een oeratoom met een haast oneindige dichtheid. Zijn theorie werd, zoals dat hoort in de wetenschap, fel gecontesteerd. Sommigen, onder wie Albert Einstein, verkozen een stabiel heelal. Lemaître kon wegens zijn religieuze achtergrond bovendien op wantrouwen rekenen: zijn theorie liet een opening voor een scheppingsdaad - heeft god die explosieve knikker daar achtergelaten?
...

De oerknal is een Belgische ontdekking. In 1931 formuleerde pater Georges Lemaître een geniale theorie: als het heelal uitdijt, dan moet het ooit ontstaan zijn uit een singulariteit, een oeratoom met een haast oneindige dichtheid. Zijn theorie werd, zoals dat hoort in de wetenschap, fel gecontesteerd. Sommigen, onder wie Albert Einstein, verkozen een stabiel heelal. Lemaître kon wegens zijn religieuze achtergrond bovendien op wantrouwen rekenen: zijn theorie liet een opening voor een scheppingsdaad - heeft god die explosieve knikker daar achtergelaten? Hoewel de theorie ondertussen is aangepast - men spreekt nu liever van kosmische inflatie in een badje van chaotisch oerschuim - , heeft Lemaître grotendeels gelijk gekregen. Toch blijven er veel raadsels over, die de Italiaanse natuurkundige Guido Tonelli netjes opsomt in zijn boek Genesis. Zo ontbreekt er nogal wat materie in het heelal: het is belachelijk groot en toch het weegt niet genoeg. Die 'donkere massa' zou er moeten zijn, alleen kunnen we haar (nog) niet waarnemen. Tonelli blijft echter optimistisch. Wat mag, als je een van de ontdekkers van het Higgsdeeltje bent. Dat werd waargenomen in de Geneefse deeltjesversneller LHC, een gigantische ondergrondse constructie waarin de begintoestand van het heelal wordt nagebootst. Een hoopgevende prestatie: mits voldoende geld en wereldwijde samenwerking zal de mens zeker achter het kosmische tovergordijn kunnen loeren. Tonelli's enthousiaste verteltrant werkt aanstekelijk. In een paar duizend jaar is de mens erin geslaagd om miljarden jaren terug te kijken in de tijd en oermythes en scheppingsverhalen te vervangen door feitenkennis. Nog niet zo lang geleden staarden we vol onbegrip naar de hemellichamen, nu begrijpen we hoe de zon werkt en hoe de maan de aarde net stabiel genoeg houdt om seizoenswerking toe te staan. Of waarom we Jupiter dankbaar mogen zijn, niet omdat hij een weergod is, maar omdat die planeet massa's asteroïden opslorpt die anders onze stratosfeer zouden binnendringen. Tussen zijn leerrijk exposé door neemt Tonelli dan ook ruimschoots te tijd om te pleiten voor meer verwondering. Over dit vreemde heelal maar ook over ons, die rare aap die geleerd heeft om 's nachts omhoog te kijken en niet tevreden was met de uitleg dat het maar gaatjes in een zwart doek zijn.