Scène 1: het museum

Een vrouw van achtendertig stapt door de kantoren van het Museum of Modern Art (MoMA), hartje New York. Donkere ogen, brede glimlach, krukken als ondersteuning van de korte benen. Ze krijgt een rondleiding van een artistiek verantwoordelijke, die haar zojuist hartelijk verwelkomd heeft en haar hoop op een schitterende samenwerking heeft uitgesproken.

De vrouw heet Fatinha Ramos en ziet haar meisjesdroom werkelijkheid worden. Op vraag van het MoMA mag ze Sonia Delaunay - A Life of Color illustreren, een boek van de Frans-Oekraïense kunstenares Sonia Delaunay, in 1964 de eerste nog levende artieste die een retrospectieve in het Louvre kreeg.

Ogenschijnlijk moeiteloos heeft Ramos het MoMA overtuigd. Met de zachte kleuren in haar tekeningen, de personages met buitenproportioneel lange armen en benen, vaak vrouwen met de haren in de wind, de voelbare weemoed en de levenskracht. The New York Times zal niet veel later Ramos' 'mooie, speelse kunst' loven. En op de Frankfurter Buchmesse, de grote Duitse boekenbeurs, zal ze de Global Illustration Award winnen, de meest vooraanstaande van de twintig prijzen op haar naam.

Ik heb heel veel op de grond gelegen, kermend van de pijn, maar ik ben telkens opnieuw overeind gekrabbeld.

'Het is fenomenaal', zegt Ramos. 'Ik besef niet goed wat me de laatste jaren allemaal is overkomen.'

Op haar pols staat een tattoo, een vlinder van fijne kronkelingen waarin ze hartjes en sterren verwerkte. Niet lang voor haar bezoek aan New York heeft ze die laten plaatsen, op een kantelpunt in haar professionele en persoonlijke leven. 'Om nooit te vergeten wie ik ben, waar ik vandaan kom en wat mijn doelen zijn.'

Scène 2: de moshpit

Midden jaren negentig, een klif aan de Portugese kust. Ramos is achttien en vliegt met het hoofd naar beneden door de lucht. Aan haar benen hangt een dik elastieken koord. Wanneer haar val met een korte, hevige schok wordt gebroken, veert ze schaterlachend nog enkele keren op en neer. Eindelijk vrij, eindelijk in beweging.

'Bungeejumping, raven tot tien uur 's ochtends, springen en duwen in de moshpit: ik heb van alles geprobeerd. Ik wilde voelen dat ik leefde, in mijn hele lijf. Ik had lang genoeg stil moeten liggen. En natuurlijk vloog ik er veel te geweldig in. Tijdens het dansen heb ik zelfs eens een been gebroken zonder dat ik het besefte, zo uitgelaten ging het eraan toe.'

Op de kunstacademie van Porto, waar ze grafische vormgeving studeert, leert Ramos in die periode een Erasmus-student uit België kennen. Na hun studies verhuizen ze samen naar Antwerpen.

'Bier, taarten en dEUS: dat was mijn beeld van België. dEUS was toen heel populair in Portugal en ik ben altijd een grote muziekliefhebber geweest. Toots Thielemans heb ik ook eens live aan het werk gezien, in de buurt van mijn geboortedorp. Maar meer wist ik echt niet van dit land af.'

Scène 3: het ziekenhuis

'Ik lig vastgebonden in een ziekenhuisbed. Aan mijn benen hangen zware gewichten. Mijn broer loopt achter me aan. Zo hard als hij kan, duwt hij mijn bed door de gangen van het hospitaal van Coimbra. Het lijkt wel een autorace, zo dicht scheuren we langs de muren. Ik ga rechtop zitten en sla met mijn armen op en neer, zoals een vogel die op het punt staat om op te stijgen. Wanneer ik achter me kijk, zie ik een hoop dokters en verpleegsters achter ons aan rennen. Helemaal achteraan in de rij zie ik mijn moeder met haar armen in de lucht. Ze is luid aan het roepen, volledig in paniek.'

Als kind droomt Ramos van een leven als ballerina. Draaien en zwieren wil ze, op de toppen van haar tenen. Maar al meteen bij haar allereerste pirouette breekt ze beide benen. Krak, op de grond. Het is niet haar eerste tuimeling en al zeker niet haar eerste breuk. 'Mijn jeugd is een verhaal van voortdurend vallen en opstaan. Ik heb heel veel op de grond gelegen, kermend van de pijn, maar ik ben telkens opnieuw overeind gekrabbeld.'

Ramos is een meisje van glas, geboren met de brozebottenziekte, een zeldzame bindweefselaandoening die bij het minste contact leidt tot botbreuken.

'Ik was een opgewekt kind, ondanks al het verdriet en de pijn. In het ziekenhuis waren ze iedere keer dolblij om mij terug te zien: met mijn optimisme stak ik andere kinderen aan. En iedere keer dat mijn oudste broer op bezoek kwam, duwde hij me als een razende door de gang.'

Wolverine, de vastberaden en razendsnel genezende superheld uit X-Men, is Ramos' grote voorbeeld. Maar anders dan hij ligt ze soms negen maanden onafgebroken in een ziekenhuisbed. In een kamer op de orthopedie, in het gezelschap van kinderen met botkanker.

'Ik moest regelmatig afscheid nemen. Als ik weer eens met een breuk in het ziekenhuis opgenomen werd, was er altijd wel een vriendje of vriendinnetje van de orthopedie overleden. Mijn jeugd was een kleine oorlog. Ik heb vreselijke dingen gezien.'

© YURI ANDRIES

Potlood en papier doen dienst als verdedigingsmiddel tegen alle gruwel. Al tekenend verwerkt Ramos de ellende.

'Zonder het tekenen was ik waarschijnlijk in de psychiatrie beland. Gelukkig kom ik uit een artistieke familie. Mijn ouders hebben me altijd gestimuleerd om te tekenen, ook toen ik in het ziekenhuis lag. Daar heb ik uiteindelijk zelfs mijn eerste tentoonstelling gegeven: mijn portretten van de dokters en verplegers hebben er meer dan vijftien jaar in de gang gehangen.'

Scène 4: het herenhuis

Aveiro, een vissersdorpje dat vanwege zijn kanalen en gondels het Venetië van Portugal wordt genoemd. De achtjarige Ramos staat in de woonkamer van de ouderlijke woonst, een herenhuis met hoge plafonds en weinig lichtinval. Perfect voor een horrorfilm, vindt Ramos zelf. Ze heeft een penseel vast en is omringd door potten verf in de meest diverse kleuren.

Van haar ouders heeft ze een duidelijke boodschap meegekregen: schilder de muren maar vol, straks gaan ze toch tegen de grond.

'Er stonden grote verbouwingen gepland en ik mocht me eens goed uitleven. Heerlijke dagen waren dat, de uren vlógen voorbij. Vrouwen, gekke werelden, kleurrijke lijnen: binnen de kortste keren had ik alle muren beschilderd. Of toch het onderste stuk, tot waar ik eraan kon. Op een avond hoorde ik mijn moeder tegen mijn vader zeggen dat de werkmannen mijn tekeningen zo mooi vonden dat ze ze met spijt in het hart afgebroken hadden. Een belangrijk moment, het was de eerste keer dat ik van buitenstaanders lof over mijn tekeningen kreeg.'

Moeder Luz en vader Orlando houden een papier-en-printwinkel in het dorp. Thuis staat altijd wel Bach of Beethoven op. Aan vaderskant is haast iedereen fotograaf, schrijver of schilder.

Ook in de geest van de jonge Fatinha knettert de verbeelding. 'Ik fantaseerde al van kleins af hele verhalen, vaak met dieren in de hoofdrol. Toen ik te weten kwam dat vogels uit eieren groeien, heb ik eens alle eieren uit de ijskast gestolen en ze daarna stiekem onder mijn bed verstopt. Weken heb ik gewacht tot de vogels door de eierschaal zouden breken - ik was ze op den duur zelfs compleet uit het oog verloren - tot mijn moeder kwam vragen wat er zo stonk in mijn slaapkamer en ze de rotte eieren ontdekte. Dat in combinatie met de rare poppen op mijn vensterbank, die ik altijd vol met littekens tekende: ik begrijp nu waarom mijn ouders heel even gedacht hebben dat ik door de duivel bezeten was. Ze hebben me nog met wijwater overgoten, maar het heeft niet geholpen.'

Scène 5: de Citroën Dyane

Even buiten Aveiro rijdt een Citroën Dyane traag naar zee. Aan het stuur zit Luz, Fatinha's moeder. Ze is hoogzwanger van haar derde kind Tiago. Op de achterbank leunen zoon Marco en dochter Fatinha, dan tien, lieflijk tegen elkaar. Een veiligheidsgordel hebben ze niet om. Op het ritme van de dieselmotor droomt Ramos weg. De geur van de oceaan bedwelmt haar gedachten, door haar haren ritselt een warme zomerwind.

Tot ineens: een knal, gevolgd door een korte, hevige schok.

'In mijn herinnering heeft het uren geduurd voor ik wakker werd, maar waarschijnlijk zal het slechts om enkele minuten gegaan zijn. Overal rond mij hoorde ik sirenes van ziekenwagens en ik zag alleen een waas voor mijn ogen. Ik voelde wel meteen dat mijn rechterpols gebroken was, het bot stak door mijn huid. Shit, dacht ik, zal ik ooit nog kunnen tekenen?'

'Mijn ouders hebben heel even gedacht dat ik door de duivel bezeten was. Ze hebben me nog met wijwater overgoten.' © YURI ANDRIES

Kennelijk is de familie Ramos op een kruispunt aangereden door een koppel met haast: op weg naar een trouwfeest, te laat vertrokken, te laat geremd. Oudste broer Marco is uit de auto gekatapulteerd, maar als bij wonder is niemand zwaargewond.

Eenmaal in het ziekenhuis begint Ramos te piekeren: wat als ze na de rechter- ook haar linkerpols zou breken? Ze wil koste wat het kost blijven tekenen en dus schuift ze op een dag een potlood tussen de tenen van haar rechtervoet. Traag probeert ze op een vel papier enkele lijnen te schetsen. 'Zo bang was ik dat ik niet meer zou kunnen tekenen. Het was als ademen voor mij: ik deed het dag en nacht en moest er nooit over nadenken hoe het nu ook weer ging. Maar die houding met mijn voet heb ik toch niet lang volgehouden. Het zag er echt te onnozel uit.'

Scène 6: de voetgangerstunnel

Het is het jaar 2001. In de straten van Antwerpen knarst zachtjes de winter. Sinds enkele maanden woont Ramos in België. Vrieskou is iets van in de natuurdocumentaires die ze als kind weleens zag. Van wintertenen heeft ze nog nooit gehoord.

Als ze op een dag sneeuw uit de lucht ziet vallen, sprint ze naar buiten en begint ze als een dolblij kind te roepen en te zwaaien met de armen, deze keer zonder elastieken koord aan de benen.

'Die eerste sneeuw was een een heel bijzonder moment. Pure magie, ik kan het niet anders verwoorden. Compleet het tegenovergestelde gevoel als toen ik voor het eerst de voetgangerstunnel bezocht. Iedereen had me verteld dat hij onder de Schelde liep. Ik dacht dat hij van glas was en dat je er een hele onderwaterwereld met honderden vissen kon bewonderen. Toen ik de eerste keer de roltrap naar beneden nam, bleek mijn verbeelding weer eens te groot geweest te zijn.'

Scène 7: de donkerte

Een tentoonstelling in het MoMA. Kunnen leven van het tekenwerk. Kinderboeken maken.

Op een papiertje schrijft Ramos enkele ideeën voor haar bucketlist neer. Ze is inmiddels eind de dertig en al twaalf jaar in België. Na jaren als grafisch ontwerpster en deeltijds illustratrice te hebben gewerkt - onder meer voor Mo en Libelle - hoopt ze op die manier een gitzwarte tijd af te sluiten.

'Rond 2013 zat ik diep in de shit. Zowel persoonlijk als professioneel verliep het leven allesbehalve zoals ik het me voorgesteld had. Volgens mijn berekeningen moest ik nog minstens tweehonderdvijftig jaar leven als ik al mijn dromen en doelen wilde waarmaken. Toen heb ik beslist om te beginnen rennen, om alle verloren tijd in te halen. Ik heb al mijn klanten opgezegd en ben van nul opnieuw begonnen. Met maar één idee in mijn hoofd: opnieuw vrij kunnen tekenen.'

Het voelt alsof ze opnieuw wordt geboren, ditmaal niet in scherven.

Vijf jaar later zijn de eerste drie ideeën van de bucketlist in elk geval werkelijkheid geworden. 'Soms moet je nu eenmaal door de donkerte om het licht te kunnen zien.'

Aftiteling

Op het moment van ons gesprek is Fatinha Ramos net terug van een reis uit Japan. Ze werd er overweldigd door de architectuur van Tadao Ando en een butohvoorstelling, de Japanse dance of darkness. Voor het eerst in vijf jaar heeft ze daar langer dan twee dagen niet getekend.

Jonge broer Tiago werkt als productontwikkelaar in Berlijn. Oudere broer Marco is klinisch psycholoog. Ouders Luz en Orlando zijn trots op wat hun 'duivelskind' al heeft bereikt.

Boven Ramos' tekentafel hangen de laatste regels van Invictus, het bekende gedicht van de Engelse dichter William Ernest Henley, die zelf met tuberculose kampte: 'I am the master of my fate, I am the captain of my soul.'

Om alle ideeën op haar bucketlist te verwezenlijken heeft Ramos naar eigen schattingen nog slechts honderd jaar nodig.

Fatinha Ramos

42 jaar.

Geboren en opgegroeid in Aveiro, aan de Portugese kust.

Woont sinds 2001 in Antwerpen.

Werkte jarenlang als grafisch vormgeefster voor onder meer Libelle en Mo.

Is sinds 2013 zelfstandige illustratrice en tekenares van kinderboeken.

Werd bekroond door het MoMA in New York.