Na de dood van zijn vader keert Didier Eribon vanuit Parijs terug naar zijn geboortestad Reims. Dat doet hij met tegenzin: de band met zijn vader was onbestaande en zijn broers heeft hij al jaren niet meer gezien - Reims mag dan wel zijn geboortegrond zijn, hij kon er als jonge intellectueel en ontluikende homoseksueel niet snel genoeg weg zijn. Maar nu dwingt hij zichzelf dus: hij wil als socioloog begrijpen hoe het komt dat zijn familie, ooit fervente communisten, tegenwoordig voor het Front National stemt.
...

Na de dood van zijn vader keert Didier Eribon vanuit Parijs terug naar zijn geboortestad Reims. Dat doet hij met tegenzin: de band met zijn vader was onbestaande en zijn broers heeft hij al jaren niet meer gezien - Reims mag dan wel zijn geboortegrond zijn, hij kon er als jonge intellectueel en ontluikende homoseksueel niet snel genoeg weg zijn. Maar nu dwingt hij zichzelf dus: hij wil als socioloog begrijpen hoe het komt dat zijn familie, ooit fervente communisten, tegenwoordig voor het Front National stemt. In een mijmerende stijl analyseert Eribon zichzelf én de arbeidersklasse waaraan hij zich ontworsteld heeft. Daarvoor doorploegt hij de familiestamboom en stelt hij vast dat armoede niet alleen erfelijk is maar ook geïnstitutionaliseerd: scholen doen amper moeite om leerlingen uit de lagere klasse hogerop te tillen, en arbeiderswoningen in de banlieues hebben slechts twee slaapkamers zodat een bolleboos het wel héél moeilijk krijgt om in alle rust te studeren. Eribon begrijpt dat hij als bij wonder ontsnapt is, maar voelt zich daar tegelijk ook schuldig over. Eenmaal in Parijs moet hij 'verraad' plegen aan zijn ouders: hij moet zich een ander accent aanmeten, zich bourgeois voordoen, en met het nodige misprijzen over het plebs praten, ook al bestempelt de Parijse culturele elite zichzelf als 'links'. Met pijn in het hart stelt hij vast dat de radicale linkerzijde, ontstaan op de barricaden van mei '68, door de jaren de arbeidersklasse verraden heeft. Eenmaal in de knusse salons van de macht wordt er geheuld met het opkomende neoconservatisme en wordt 'de derde weg' bejubeld. Eribon ziet het met lede ogen aan en begrijpt waarom zijn ouders zich in de steek gelaten voelen en van de weeromstuit een proteststem uitbrengen op extreemrechts. Wat kunnen hen de dialectische discussies aan de Sorbonne schelen? Zij zien hun wijken verkrotten en hun woningen ingepalmd worden door immigranten die het nog slechter hebben maar wel voor een hongerloon hun plaats in de fabrieken innemen. Links heeft gefaald, stelt Eribon tot zijn schaamte vast, en de partij van Le Pen is met de brokstukken gaan lopen. De zelfanalyse, én die van zijn linkse spitsbroeders, is genadeloos in dit egodocument dat zich met enige goeie wil als een roman laat lezen. Tegelijk is het een erudiete aanleiding om Franse denkers als Foucault, Sartre en Barthes te herontdekken, bepaald geen luxe in tijden waarin rechts met de erfenis van links gaat lopen.