Bijna veertig is Mattis, maar in zijn hoofd moet het nog allemaal beginnen. Hij woont samen met zijn oudere zus Hege, die letterlijk de eindjes aan elkaar probeert te knopen door truien te breien voor de lokale vissers en houthakkers. Mattis lummelt maar wat aan. In het dorp wordt hij Slome genoemd, niet echt een verwijt maar eerder een vaststelling - de dorpelingen begrijpen dat Mattis het moeilijk heeft met de buitenwereld en dat echt mannenwerk niet voor hem is weggelegd. Toch proberen ze hem te helpen: ondanks zijn traagheid mag hij mee het veld...

Bijna veertig is Mattis, maar in zijn hoofd moet het nog allemaal beginnen. Hij woont samen met zijn oudere zus Hege, die letterlijk de eindjes aan elkaar probeert te knopen door truien te breien voor de lokale vissers en houthakkers. Mattis lummelt maar wat aan. In het dorp wordt hij Slome genoemd, niet echt een verwijt maar eerder een vaststelling - de dorpelingen begrijpen dat Mattis het moeilijk heeft met de buitenwereld en dat echt mannenwerk niet voor hem is weggelegd. Toch proberen ze hem te helpen: ondanks zijn traagheid mag hij mee het veld op om rapen te wieden en de kruidenier stopt hem gratis snoepjes toe. Mattis ziet de wereld anders, merkt tekenen op waar een doorsnee mens enkel vogels en bomen ontwaart, vaak tot verwarring van Hege, die het geraaskal van haar broer niet altijd kan plaatsen. Misschien kan Mattis veerman worden, oppert ze op een dag, en die opmerking nestelt zich in zijn hoofd. Een sloep, dagen op het water, een bestaansreden, dat kan wel iets worden. In het begin gaat het goed. Mattis vaart twee mooie jonge meisjes naar een zonnig eilandje en zet hen, glunderend van trots, terug af op de kade. Zijn volgende vracht heet Jørgen, een potige houthakker die naast een overtocht ook onderdak kan gebruiken. Een kostganger kan de armoede verlichten, denkt Hege, en misschien ook haar eenzaamheid, want die Jørgen is best een knappe man. Maar dat is buiten Mattis gerekend. Hij wil zijn zus niet kwijt en ondanks Jørgens welgemeende pogingen om vrienden te worden, blijft Mattis hem als een bedreiging zien. In zijn gedachten wemelt het plots van geslepen bijlen en giftige paddenstoelen. 'De beste Noorse roman ooit geschreven.' Karl Ove Knausgård is niet zuinig met lof voor zijn landgenoot Tarjei Vesaas, en die is volkomen terecht. De vogels stamt dan wel uit 1957 - Mattis kijkt verwonderd naar de eerste auto's die in zijn wereld opduiken - maar heeft aan helderheid niets ingeboet. Vesaas verschaft via zijn slimme taalgebruik inzicht in de gesloten leefwereld van Mattis en hij heeft maar een paar simpele dialogen nodig om Heges eenzaamheid te schetsen. Zijn diepmenselijke portret van een man met een verstandelijke beperking is een toonbeeld van hoe krachtig literatuur kan zijn, hoe tijd geen impact heeft op goede zinnen en hoe universeel onze dagelijkse zoektocht naar eenvoudig geluk is.