Een man bewandelt zijn land. Hij is op zoek naar een drachtige koe die, dolgedraaid door de hormonen, besloot haar stal te verlaten. Opnieuw een dier verliezen - diezelfde ochtend heeft hij al een doodgeboren kalf in het hooi aangetroffen - kan hij zich niet permitteren; door een onverklaarbare droogte is de grond uitgeput en dreigen de gewassen tot stof te verkruimelen. Tegelijk is het een verademing om even buiten te zijn, weg van de bedompte boerderij, weg van zijn nukkige vrouw, weg van zijn raadselachtige dochter die beweert dat ze met elfjes kan praten en regelmatig een...

Een man bewandelt zijn land. Hij is op zoek naar een drachtige koe die, dolgedraaid door de hormonen, besloot haar stal te verlaten. Opnieuw een dier verliezen - diezelfde ochtend heeft hij al een doodgeboren kalf in het hooi aangetroffen - kan hij zich niet permitteren; door een onverklaarbare droogte is de grond uitgeput en dreigen de gewassen tot stof te verkruimelen. Tegelijk is het een verademing om even buiten te zijn, weg van de bedompte boerderij, weg van zijn nukkige vrouw, weg van zijn raadselachtige dochter die beweert dat ze met elfjes kan praten en regelmatig een doorzichtige jongen in haar kamer aantreft. Op zijn tocht door de landerijen kan hij zijn zorgen op een rijtje zetten. Hoe lang nog zullen zijn bronnen water leveren? Zal hij toestemming krijgen om het aanpalend perceel te kopen zodat hij er vakantiewoningen kan neerpoten? Moet hij niet op het erf zijn, om afscheid te nemen van zijn oude waakhond, die aan zijn laatste spuitje toe is? En wat spookt zijn zoon, die overduidelijk geen zin heeft om de boerderij over te nemen, uit? De Welshe schrijver Cynan Jones is een meester in dreiging. Zijn stilistisch meesterlijke zinnen verdienen elk apart een rouwkadertje en iedere bondige alinea baart benauwdheid bij de lezer. Komt het alsnog tot een dialoog, dan valt vooral de leegte op tussen de spaarzame regels. De pagina's schrijnen van het menselijke onvermogen om zinvol te communiceren. Toch draait Jones af en toe het ventiel open. Zijn saga over de eendenplaag in het naburige dorpje is deels beangstigend - je moet spontaan aan The Birds denken - maar tegelijk onbedaarlijk grappig geschreven. Hij heeft ook talent voor koddige perspectiefwissels. Het vergt heel wat kunnen om een koe aan het woord te laten zonder dat het belachelijk wordt maar Jones raakt er wonderwel mee weg. En hij laat ruimte voor mededogen; een verpauperde buur krijgt een stuk land te leen zodat hij het failliet van de ouderlijke boerderij kan verwerken en de zachtaardige opmerkingen van de dochterfiguur leveren parels van wijsheid op. Fijnzinnig, broeierig, zinnen als splinters in je oog: Jones heeft alles in huis om uit te groeien tot een groot schrijver van klein werk. Of hoe taal in meesterlijke handen als zomerregen kan aanvoelen.