'Afgelopen week hadden we een signeersessie in Parijs. De organisatoren hadden heel veel rum voorzien. Zelf hebben we het deftig gehouden, maar de bezoekers waren aardig in de wind. Laat ons zeggen dat het een ietwat vreemde promoavond was.'

'Geen tequila suicide gespeeld?'

'Nee. Nochtans goed voor de sinussen, zout snuiven.'

Het is nog maar net middag wanneer we een terras in Gent uitkiezen, en het gaat al over buitensporige alcoholconsumptie. Dat zegt niets over ons - we houden het braafjes bij koffie - maar alles over Olivier Schrauwens nieuwste boek Portret van een zuipschuit, dat hij samen met het al even eigenzinnige Franse duo Florent Ruppert en Jérôme Mulot (van wie alleen De grote odalisk en Olympia vertaald zijn) tekende. Daarin laat piraat Guy zich iets te innig omhelzen door rum en tequila. Het resultaat van zijn zuipfestijn is een hels delirium vol moordpartijen, geamputeerde benen, een grimmige dodendans en filosofische vraagstukken over afgeknipte teennagels.

Mijn familie heeft een nogal pesterige vorm van humor. Af en toe begon er iemand te wenen.

Schrauwens eerdere graphic novels My Boy (2006), De man die zijn baard liet groeien (2010), Le miroir de Mowgli (2011) en vooral het op zijn grootvader geïnspireerde Arsène Schrauwen (2015) werden internationaal bejubeld en rijfden alle vier nominaties binnen op het toonaangevende stripfestival van Angoulême. Vorig jaar voegde hij daar (vooralsnog alleen in het Engels en het Frans) de sciencefictionverhalenbundel Parallel Lives aan toe.

Schrauwen woont intussen al elf jaar in Berlijn, maar de uitgeweken Bruggeling is even in zijn geboorteland om nog wat praktische zaken te regelen in verband met de Nederlandstalige versie van zijn piratenavonturen - de Fransen kregen een maandje voorsprong. Daarna trekt hij naar de Ardennen om in alle rust aan zijn volgende boek te werken. Schrauwen zit niet graag stil - je wordt ook niet zomaar 'de origineelste stripmaker sinds Chris Ware en Ben Katchor' genoemd door een icoon als Maus-tekenaar Art Spiegelman.

Ahoi! Het piratengenre, dat had je nog niet afgevinkt.

Olivier Schrauwen: Op het eerste gezicht lijkt het dan ook een heel slecht idee. Ik ben waarschijnlijk een van de weinigen die Pirates of the Caribbean nog te pruimen vond, maar je kunt niet anders dan toegeven dat het een belegen en uitgehold genre is geworden. Net daarom wilden we het proberen.

Voor het eerst werk je nauw samen met andere stripmakers. Hoe heb je Ruppert en Mulot leren kennen?

Schrauwen: Op een stripfestival in Helsinki. We hadden meteen een klik, al kan niemand zich nog herinneren dat we besloten hebben om samen een boek te maken. (lacht) Het was alleszins een fijne ervaring, een totaal andere manier van werken. Meestal ontstaan mijn verhalen vrij intuïtief. Ik heb op voorhand wel een aantal ideeën, maar het verhaal krijgt heel organisch vorm tijdens het tekenen. Deze keer moest ik mijn ideeën beter concretiseren en verwoorden.

Kinderen alcohol voeren, vrouwen lastigvallen, een stervende vrouw bestelen: zelden zo'n walgelijk personage als Guy gezien.

Schrauwen: Dank je. Dat was de bedoeling. Zijn persoonlijkheid is volledig vervangen door het cliché van de dronkaard. Hij is een klootzak van begin tot eind, zonder dat we zijn gedrag op een of andere manier vergoelijken. Tegelijk hebben we de meeste nevenpersonages bewust vaag gehouden, waardoor je wordt verplicht om mee te gaan in Guys verschrikkelijke avonturen. Een uitdaging voor onszelf en de lezer.

Bovendien is er weinig historisch houvast. Wanneer speelt het zich eigenlijk allemaal af?

Schrauwen: Ik zou zeggen rond 1750, maar Ruppert en Mulot zouden waarschijnlijk iets anders antwoorden. (lacht) Pas op, ik héb research gedaan naar echte piraten, maar die heb ik snel aan de kant gelegd. Zo'n pretparkpiraat met ooglapje, houten been en papegaai op de schouder, vind ik veel toffer. Het begin speelt zich af in Brugge, wat historisch gezien allicht ook nergens op slaat.

Zeker naar het einde toe vervaagt ook de grens tussen realiteit en delirium.

Schrauwen: De structuur is gebaseerd op de gemiddelde dag van een dronkaard. Guy staat op met een kater, begint te drinken om zich beter te voelen, gaat feesten en ontspoort volledig. We hebben veel inspiratie opgedaan in filmpjes van zatlappen op YouTube. Dronkenschap heeft iets kluchtigs, maar kan heel snel overslaan in verschrikkelijke drama.

Guy is een Vlaming. Toeval?

Schrauwen: Ruppert en Mulot vonden dat grappig. Mij maakte het niet zoveel uit. Ik zie het niet als een persoonlijke aanval. Zo'n fiere Vlaming ben ik nu ook weer niet.

Een eigenzinnige eenzaat die naar de rum grijpt: je zou kunnen opperen dat er enige overlap is met het cliché van de kunstenaar.

Schrauwen: Misschien wel, ja. Ik denk dat je automatisch een parallel legt met je eigen leven. Dat gezegd zijnde hoop ik dat ik deze keer weinig gemeen heb met het personage. (lacht) Bepaalde kleine details zijn wel autobiografisch. Zoals het mes van Guy, dat met een touwtje aan zijn broek hangt om het niet kwijt te spelen. Dat trucje gebruik ik voor mijn sleutels.

Dat semi-autobiografische was heel sterk aanwezig in Arsène Schrauwen, over je grootvader, en Parallel Lives, waarin alter ego's opduiken van jezelf en (fictieve) familieleden.

Schrauwen: In Parallel Lives ben ik de meest verschrikkelijke versie van mezelf. Ik zie dat als een soort duiveluitdrijving van mijn slechtste eigenschappen. Maar ik vertel nooit letterlijk anekdotes, het zijn eerder eigenschappen die subtiel verstopt zitten in de verhaallijn.

Als je die personages namen geeft als O. Schrauwen, Oly en Ooh-lee Schrauwen is het nu ook weer niet zó subtiel.

Schrauwen: Daar heb ik over nagedacht, hoor! Als ik een hoofdpersonage een compleet andere naam geef, denken mensen nog dat het mijn alter ego is. Terwijl ze dat autobiografische net meer in vraag zullen stellen als het Olivier Schrauwen heet. Dat is omgekeerde psychologie. Nu, dat autobiografische kantje is ook een soort uit de hand gelopen grap. Jezelf en je omgeving een beetje belachelijk maken, daarmee ben ik opgegroeid.

Gezellig.

Schrauwen: Goh, mijn familie deelt een sarcastisch, lichtjes pesterig gevoel voor humor. Kamagurka en Humo waren in mijn jeugd enorm populair. Mijn nonkel Rik heeft zelfs nog meegespeeld in Lava (een sketchreeks van Kamagurka en Herr Seele op de toenmalige BRT, nvdr.). Een grap moest altijd ten koste van iemand anders gaan. Dat klinkt erger dan het is, hoor. We komen nog steeds goed overeen. Er begon gewoon af en toe iemand te wenen. (lacht)

Ik las dat je als kind al een gespleten tekenstijl had. De ene dag à la Guust, de andere op z'n Kuifjes.

Schrauwen: De meeste tekenaars beginnen zo, door anderen te imiteren en zo een eigen stijl te ontwikkelen. Bij mij is dat wat langer blijven plakken. Het is boeiend om te experimenteren met verschillende stijlen, omdat het je dwingt in een andere richting te denken. Veel mensen denken dat een goed scenario het belangrijkste is en al de rest maar als versiering dient. Maar de manier waarop je iets tekent, maakt ook deel uit van het verhaal. Je kunt dat niet los van elkaar zien.

Intussen is je werk toch heel herkenbaar? Het Amerikaanse blad The Comics Journal hanteert zelfs de term 'schrauwenesque'.

Schrauwen: Brr. Daar stel ik me iets heel gruwelijks bij voor, een of andere akelige karikatuur van mezelf. Ik voel niet de noodzaak om mijn werk binnen een bepaalde stijl te plaatsen. Uiteraard ben ik in een bepaalde richting geëvolueerd. In het begin was mijn stijl veel vlotter, maar dat wrong altijd een beetje. Het paste niet bij wie ik ben en wat ik wil uitdrukken. Er moet iets ongemakkelijks aan zitten. Een personage met een vreemde motoriek, onlogische composities, een beetje lelijkheid. Ik heb geleerd dat onelegant ook kan werken.

Hou je daarom zo van genres? Om je ongemakkelijke touch te geven aan platgetreden paden?

Schrauwen: Misschien wel. Ik vind het leuk om met die clichés te spelen en daar iets nieuws mee te doen, zoals in Portret van een zuipschuit of Parallel Lives. Als kind was ik grote fan van Star Wars, maar toen ik onlangs op het vliegtuig naar de nieuwste sequel keek, bleek de magie volledig verloren. Die scifi werkte voor geen meter meer. En toch vind ik het boeiend om met zulke genres iets te doen.

Misschien vanuit dezelfde nostalgie die mensen nog steeds voor die films naar de bioscoop lokt?

Schrauwen: Al die remakes, prequels en sequels hebben iets decadents, vind ik. Een film puur uit nostalgie maken, dat heeft toch iets triestig? In de muziekwereld zie je dat ook. Die eightiesvibe, met dezelfde ruis als op de tapes van toen. Kan leuk zijn, maar probeer er dan tenminste iets origineels mee te doen.

Maar met uitzondering van Parallel Lives spelen al je boeken zich ook in het verleden af.

Schrauwen: Klopt. Ik weet zelf niet goed waarom. Een setting die afwijkt van het dagelijkse leven is dankbaar voor je verhaal. Je kunt je meer permitteren, want het is minder storend als iets niet helemaal correct is. Daarnaast heeft het verleden een esthetische aantrekkingskracht. Tegenwoordig ziet alles er zo banaal uit, maar mijn volgend boek zal zich toch in het heden afspelen. Het wordt een kwestie van die banaliteit te omarmen en mee te gaan in de lelijkheid. Niet alles hoeft een likje esthetiek te krijgen.

Portret van een zuipschuit

Uit op 6 maart bij Dupuis.

Olivier Schrauwen

Geboren in 1977 in Brugge.

Studeert animatie aan het KASK in Gent en beeldverhaal aan Sint-Lukas in Brussel.

Begint zijn carrière met publicaties in het Franstalige stripblad Spirou en alternatieve tijdschriften.

Breekt in 2006 internationaal door met zijn eerste graphic novel My Boy, meteen genomineerd op het stripfestival van Angoulême.

Bevestigt zijn talent met De man die zijn baard liet groeien (2010), Le miroir de Mowgli (2011), Arsène Schrauwen (2015) en recent nog Parallel Lives (2018).

Woont al elf jaar in Berlijn.