Eindelijk mag Yoshie met zijn vader mee op uitstap. Zeer tegen de zin van Yoshies moeder, die het gevaarlijk vindt om naar Hiroshima te reizen. Het is augustus 1945 en Amerika bombardeert aan de lopende band Japanse havensteden. Maar Yoshies vader is stellig: 'Ook al is het oorlog, we moeten wel doorgaan met leven.'
...

Eindelijk mag Yoshie met zijn vader mee op uitstap. Zeer tegen de zin van Yoshies moeder, die het gevaarlijk vindt om naar Hiroshima te reizen. Het is augustus 1945 en Amerika bombardeert aan de lopende band Japanse havensteden. Maar Yoshies vader is stellig: 'Ook al is het oorlog, we moeten wel doorgaan met leven.' Helaas wordt de moeders vrees bewaarheid: Yoshie herinnert zich een flits, licht van röntgenstralen, een verzengend hete drukgolf en het gevoel dat hij kan vliegen. Wanneer hij weer bij zijn positieven komt, beseft hij dat hij door de lucht geslingerd is en dat een klein muurtje zijn leven heeft gered. Zijn vader hangt vermangeld in een boom. Wat hem ook opvalt: de stilte. De bom heeft elk geluid opgezogen: geen vogels meer, geen tjirpende insecten, geen geruis - de bomen hebben geen bladeren meer waar de wind in kan zingen. En dan begint het gillen. Zijn hele leven lang zal Yoshie Watanabe voor dat trauma blijven vluchten. Als vertegenwoordiger van een televisiemerk reist hij de wereld af. Parijs, New York, Buenos Aires, Madrid... In elke wereldstad bouwt hij mee aan het economisch wonder dat Japan heet. Hard werken, geld verdienen, en beleefd zwijgen over het leed dat zijn volk is aangedaan. Eenmaal met pensioen slijt hij zijn dagen in Tokio, samen met zijn banjocollectie. Elke week maakt hij een uitstapje naar een jazzbar waar ook schrijver Ryu Murakami zijn cocktails nuttigt terwijl hij gelaten boeken van zijn bekendere naamgenoot signeert. En dan begint het trillen. Nog voor hij thuis is, bereiken hem de omineuze berichten over een tsunami, en hoe een vloedgolf de kerncentrale van Fukushima overspoelt. Opnieuw dreigt een atoomramp en Watanabe besluit naar het getroffen gebied te reizen. Hij kan er niets doen, behalve machteloos toekijken hoe de geschiedenis zich herhaalt. Net die menselijke dwaasheid wil hij met zijn eigen ogen aanschouwen. De Argentijnse schrijver Andrés Neuman heeft met Watanabe een Japanse versie van de wandelende Jood geschapen. Gedoemd om over een vervloekte aarde te dwalen, altijd onderweg, altijd bereid om zijn geliefden achter te laten - geliefden die Neuman trouwens ook aan het woord laat, zodat je als lezer een veelzijdig beeld krijgt van de stilzwijgende werkmier Watanabe. Rode draad doorheen het poëtisch geschreven Breuk is kintsugi: de kunst van het repareren van keramiek met goudlak, zodat de schade net zichtbaar wordt. Kan Watanabe de barsten in zijn hart herstellen? Dat is de centrale vraag in deze roman die met elke pagina meer leeshonger opwekt.