1453. Anna, een ongeletterd weesmeisje, leeft in Constantinopel. Omeir, een jonge bergbewoner, wordt ingelijft in het leger van de oprukkende Ottomanen. Beiden worden meegesleurd in de nakende val van de stad.
...

1453. Anna, een ongeletterd weesmeisje, leeft in Constantinopel. Omeir, een jonge bergbewoner, wordt ingelijft in het leger van de oprukkende Ottomanen. Beiden worden meegesleurd in de nakende val van de stad. In een verre toekomst suist een interstellair ruimteschip af op een exoplaneet die het na net geen zeshonderd jaar hoopt te bereiken. Het tienermeisje Konstance, aan boord geboren, behoort tot een overbruggingsgeneratie die de aarde niet heeft gekend en nooit op de bestemming zal aankomen. In een anoniem stadje in het hedendaagse Idaho kruisen de wegen van de jonge ecoterrorist Seymour en Koreaveteraan Zeno elkaar, meer bepaald - en niet toevallig - in de bibliotheek. Want Wolkenstad is een ode aan boeken. Hoe ze beklijven en begoochelen, troost en hoop bieden, de verbeelding prikkelen en ons doorheen al die sensaties bevestigen en verbinden in ons mens-zijn. Anthony Doerr verzon er daarom een tweeduizend jaar oud Grieks manuscript bij, dat de toverachtige odyssee van de dommige herder Aethon vertelt. Die tekst verstrengelt hij vernuftig in de levens van zijn personages. Geduld is evenwel noodzakelijk, want het duurt lang vooraleer de puzzelstukjes in elkaar vallen. Gelukkig is Doerrs schrijverstalent groot genoeg om de lezer in zijn stapvoetse aanloop niet te verliezen. Met veel empathie tekent hij zijn personages: Zeno Ninis die zijn hele leven in de kast blijft, of de hypersensitieve Seymour Stuhlman met zijn starre logica. De dichterlijkheid waarmee Doerr de natuur tot zinnelijke schilderijen verheft, etaleerde hij eerder ook al in zijn debuutroman Verlossing (2004). Eenmaal voldoende bouwstenen opgestapeld ontpopt Wolkenstad zich als een pageturner. Doorheen het verhaal weeft Doerr pertinente waarschuwingen voor de gevaren van artificiële intelligentie en klimaatverandering. Maar dat zijn slechts zijtakken aan de kloeke bast van deze klepper, die in wezen over verwondering gaat. Over dromen van wegvliegen naar het paradijs, zoals Aethon doet. Maar ook over hoe je soms maar lang genoeg naar je voeten moet staren om te beseffen hoe groen het gras daaronder wel niet is.