Uiteindelijk heeft de literatuur slechts één doel: de dood bezweren. Zeker, een mooie zin kan je dag goedmaken en een welgemikt gedicht levert je misschien een lief op, maar de dood zal altijd aan het langste eind trekken. Elk neergepend woord is dan ook een - vaak vergeefse - poging om onsterfelijkheid te bewerkstelligen.
...

Uiteindelijk heeft de literatuur slechts één doel: de dood bezweren. Zeker, een mooie zin kan je dag goedmaken en een welgemikt gedicht levert je misschien een lief op, maar de dood zal altijd aan het langste eind trekken. Elk neergepend woord is dan ook een - vaak vergeefse - poging om onsterfelijkheid te bewerkstelligen. Aan dood geen gebrek in de debuutroman van Arjen van Veelen. Nadat zijn goede vriend en Vlaamse schrijver Tomas is overleden, reist de verteller, 'Arjen van Veelen', naar St. Louis, waar zijn vrouw als microbiologe in een gespecialiseerd lab aan de slag kan. Van Veelen noemt het zijn 'vervroegd pensioen': na een carrière als journalist wil hij nu rustig aan zijn boek over Alexander de Grote werken. Daar komt weinig van in huis. Hij lummelt wat rond, maakt almaar langere wandelingen met zijn kat, grasduint op het internet door executiefilmpjes van IS en mijmert over de lange caféavonden met zijn illustere vriend. Net wanneer de rouw hem helemaal dreigt te verlammen, neemt hij het vliegtuig naar Alexandrië, vastberaden zijn research te voltooien én een oude belofte na te komen: de boeken van Tomas toevoegen aan de beroemde bibliotheek. Fictie overleeft de dood is het adagium, en ja, dit is een roman en natuurlijk valt Tomas niet samen met Thomas Blondeau, net zoals de verteller niet samenvalt met de schrijver, maar het autobiografische gehalte is zo hoog in dit boek dat het verschil miniem is. Ondanks de hitte in St. Louis en Alexandrië lijkt het altijd herfst in deze roman. Het verdriet waait als een gure wind door elke alinea en net als in Rilkes gedicht Herbsttag dient er veel rondgedwaald te worden, in de ijdele hoop het verval voor te blijven. Van Veelen weet gelukkig de valkuil van meligheid te vermijden en dat heeft hij te danken aan zijn essayistische aanpak: zelfs de meest alledaagse observatie wordt door hem opgetuigd met interessante weetjes en scherpzinnige analyses. Zo gunt hij de lezer ook ademruimte: de droogkomische passages over de verbeten grafjager Stelios Komoutsos, een amateurarcheoloog die zijn leven wijdde aan het terugvinden van het lijk van Alexander de Grote doen je onwillekeurig glimlachen. Hoewel Van Veelen er met treffende beschrijvingen griezelig goed in slaagt om zijn dode dichtersvriend tot leven te wekken, is Aantekeningen over het verplaatsen van obelisken zo veel meer dan een tranentrekkende requiemroman. Het is een uitnodiging om zorgvuldig in het leven te staan, passioneel rond te kijken en waar mogelijk te genieten. Want voor je het weet, valt de duisternis, en het doek gaat niet meer op voor een encore.