Will Eisner was een graag geziene gast in Angoulême. Al tijdens de tweede editie in 1975 kreeg hij de Grand Prix -- lang voordat de belangrijkste Amerikaanse stripprijzen zijn naam zouden krijgen -- en tot enkele jaren voor zijn dood in 2005 kwam hij nog speciaal voor het festival overvliegen naar Frankrijk. Denis Kitchen (70) was een van de hippietekenaars uit de Amerikaanse underground van begin jaren zeventig, werd een goeie vriend van de meester, gaf zijn werk uit en beheert nu zijn nalatenschap.
...

Will Eisner was een graag geziene gast in Angoulême. Al tijdens de tweede editie in 1975 kreeg hij de Grand Prix -- lang voordat de belangrijkste Amerikaanse stripprijzen zijn naam zouden krijgen -- en tot enkele jaren voor zijn dood in 2005 kwam hij nog speciaal voor het festival overvliegen naar Frankrijk. Denis Kitchen (70) was een van de hippietekenaars uit de Amerikaanse underground van begin jaren zeventig, werd een goeie vriend van de meester, gaf zijn werk uit en beheert nu zijn nalatenschap.Kitchen: Dat klopt eigenlijk wel. Hij was er al bij het begin van de comic books net voor de Tweede Wereldoorlog en heeft heel zijn leven een creatieve ontwikkeling doorgemaakt die parallel gaat met de geschiedenis van het medium: van gemaskerde helden tot de graphic novel.Heel speciaal was dat hij al heel vroeg geloofde dat je serieus werk kon maken in strips. Er zijn krantenknipsels uit de jaren veertig waarin hij dat al liet optekenen. Het ging er hem niet alleen om om geld te verdienen -- waar hij trouwens erg goed in was -- maar ook om een duidelijke artistieke visie. Hij was zich daarnaast bewust van de educatieve mogelijkheden van het medium, want hij heeft twintig jaar lang voorlichtingsstrips voor het Amerikaanse leger gemaakt.Hij was ook een onnavolgbare ambassadeur voor het internationale stripverhaal. Hij bleef zijn hele leven nieuwsgierig naar nieuwe auteurs en bleef aan uitgevers nieuwe auteurs voorstellen om te vertalen. Hij deed dus niet alleen aan zelfpromotie, zoals veel auteurs.Kitchen: Ik kan niet spreken voor de andere undergroundauteurs, maar ikzelf kende de strips uit mijn jeugd. Ik vond het toen heel frustrerend om de verhalen van The Spirit nergens te kunnen kopen. Ze verschenen oorspronkelijk in een krantenbijlage en er werden geen comic books van verkocht. Stripwinkels bestonden nog niet, dus het was heel moeilijk om de verhalen te vinden.In 1971 ging ik naar mijn eerste stripconventie en daar ontmoette ik de striphistoricus Maurice Horn. Met zijn Franse accent bracht hij me de raadselachtige boodschap dat Will Eisner me wilde zien. Ik dacht dat dat een vergissing was, maar het bleek waar te zijn. Je moet je de scène voorstellen: ik, een hippie met lang haar en hij, kalend, in driedelig pak in zijn privésuite. 'Ik wil met je praten over die undergroundstrips', zei hij. 'Klopt het dat jullie geen censuur hebben? Dat de winkels de strips definitief moeten kopen en ze niet terug mogen bezorgen? Dat iedereen zijn originele tekeningen mag houden?'. Ik bevestigde. 'Dat interesseert me allemaal bijzonder', zei hij.Het was het begin van een lange vriendschaps- en zakenrelatie. Ik begon zijn verhalen van The Spirit opnieuw uit te geven. Eisner zelf was in het begin heel sceptisch. 'Wat gaan hippies nu leuk vinden aan die oude verhalen?' Instinctief voelde ik aan dat mensen van mijn generatie niet alleen Robert Crumb wilden lezen, maar dat er ook plaats was voor iets als The Spirit. Eisners werk in The Spirit was superieur voor zijn tijd. Andere strips van dezelfde periode volgden formules: de misdadigers lieten iets ontploffen en daarna werden ze gevangen door de held. Eisner was altijd onvoorspelbaar en inventief.Kitchen: Het hing ook wat van de verhalen af. Eisner heeft zich duidelijk laten inspireren door films, maar ook door affiches. Zijn vader maakte decors voor het theater en hij is zijn hele leven naar theater blijven gaan. Daarnaast las hij ook veel. Hij was een ontwikkeld man en hij discussieerde graag over politiek en filosofie, ook al had hij zelf geen bijzondere scholing genoten. Dat vond ik heel interessant aan hem.Kitchen: Door de scenografie, die de filmnoirsfeer van The Spirit heeft uitvergroot, lijkt het misschien zo, maar eigenlijk zijn maar een derde van de ongeveer 140 originele werken van The Spirit.Wij hebben voor de tentoonstelling een soort evenwicht nagestreefd. Eisner zelf was trotser op zijn graphic novels vanaf Een contract met God dan op The Spirit, dat moet ik toegeven. Vooral omdat hij die graphic novels in complete vrijheid kon maken. Hij had een succesvolle zaak in visuele communicatie, maar gaf die op om opnieuw zelf strips voor een algemeen volwassen publiek te gaan maken.De tekenstijl voor de graphic novels werd wel eenvoudiger dan in The Spirit. Eisner had meer ideeën dan tijd. Hij wilde zo veel mogelijk verhalen kunnen vertellen en zag de laatste 25 jaar van zijn carrière als een race tegen de tijd. Dus stond hij zichzelf een eenvoudigere stijl toe. Anders had hij veel minder boeken kunnen realiseren.Hij vond het wel fijn als iemand hem een compliment gaf over zijn tekenstijl, maar voor hem was dat het gemakkelijke stuk. Volgens hem kon iedereen leren tekenen, maar een interessant verhaal maken vond hij veel belangrijker en moeilijker. Als hij naar het werk van jonge auteurs keek, vond hij het vaak jammer dat die jongeren prachtig konden tekenen, maar zo weinig te vertellen hadden. Het verhaal kwam voor hem altijd eerst.