Walter De Buck, het laatste Knack-interview: 'Ik ben een goestingdoener, ik heb van niets spijt'

21/12/14 om 18:55 - Bijgewerkt om 18:55

De Gentse volkszanger Walter De Buck, vader van de Gentse Feesten, is overleden. Hij opende afgelopen zomer zijn 45e Gentse Feesten. Het werden zijn laatste. Dit is zijn laatste interview met Knack. 'Mijn hele leven heb ik niets tegen mijn zin gedaan'

Walter De Buck, het laatste Knack-interview: 'Ik ben een goestingdoener, ik heb van niets spijt'

Walter De Buck © Belga

Dit is het laatste Knack-interview met de op zondag 21 december 2014 Walter De Buck. Het interview verscheen op 16 juli in Knack.

Ziek of niet, de geestelijke vader van de Gentse Feesten wordt tachtig en dat moet gevierd worden. 'Spijt heb ik niet. Waarom zou ik? Ik heb met volle goesting geleefd.'

'Mijn hele leven heb ik niets tegen mijn zin gedaan', zegt Walter De Buck. 'Daar ben ik heel content over, want ik denk niet dat veel mensen dat kunnen zeggen.' De Gentse kunstenaar die afgelopen zondag tachtig werd, debuteerde als beeldhouwer op de Wereldtentoonstelling van 1958. Begin jaren zestig begon hij in de schaduw van de Gentse Sint-Jacobskerk met vzw Trefpunt, een café annex kunstencentrum. Het was daar dat het idee ontstond om de historische Gentse Feesten nieuw leven in te blazen. Aanvankelijk werd er alleen in de omgeving van Bij Sint-Jacobs gefeest, maar elk jaar zou het tiendaagse festival groeien, tot het uiteindelijk de hele binnenstad innam. Tegen die tijd had De Buck de programmatie en organisatie van de

Feesten al lang uit handen gegeven. Werk genoeg. Hij bleef componeren, beelden maken, optreden. Hij startte ook het beeldhouwerscollectief Loods 13 op, een initiatief dat werklozen en steuntrekkers weer op weg probeert te helpen door ze te leren steenkappen, houtsnijden, koperdrijven of kunstsmeden.

En jaar na jaar bleef hij de Gentse Feesten openen. Ook komende vrijdag weer. Al zal hij dat dit keer niet zo breedvoerig kunnen doen als anders. Zijn groep en de gastzangers zijn al voorbereid: als hij niet meer verder kan, nemen zij het van hem over. De Gentse bard is ziek. Erg ziek. Slokdarmkanker, met uitzaaiingen in de lever. Eerder had hij al te horen gekregen dat hij aan de ziekte van Alzheimer lijdt. Zijn vrouw Mia wijkt dan ook geen moment meer van zijn zijde. Tijdens het interview zit ze naast hem op de bank en helpt ze hem om zijn gedachten te ordenen en bestofte herinneringen naar boven te halen.

Af en toe lijkt het alsof hij ergens anders is, alsof hij helemaal niet aan het luisteren is. Tot er weer een geamuseerde glimlach op zijn nog altijd woelig bebaarde gezicht verschijnt. Vooral als hij terugdenkt aan de heroïsche verhalen uit de begindagen van de Gentse Feesten. Zoals toen hij zijn roes lag uit te slapen in de laadbak van een vuilniswagen. 'Dat was op de ochtend na de laatste dag van de Feesten', legt hij uit. 'Ja, vroeger was ik er tien dagen bij. Soms zelfs langer.'

Een paar weken geleden werd u geëerd met een grote zangstonde Bij Sint-Jacobs. Was dat aan u besteed?

WALTER DE BUCK: Absoluut. Wie zou daar niet van genieten? Al die mensen die mijn liedje zongen, dat deed goed. Er was dan ook veel volk en veel sfeer. Schoon dat ze dat voor mijn verjaardag willen doen.

Straks opent u voor de 45e keer de Gentse Feesten. Kijkt u daar na al die jaren nog naar uit?

DE BUCK: Niet zoals een kind naar Sinterklaas uitkijkt natuurlijk, maar ik zou het toch niet willen missen. Ik heb altijd heel graag opgetreden en dat is nog zo. Dat komt waarschijnlijk doordat ik een ijdeltuit ben. (lacht) Alleen ben ik tegenwoordig sneller moe en slaap ik veel. Om straks voor mijn publiek te kunnen staan, moet ik nu mijn krachten een beetje sparen. Maar dat heb ik ervoor over.

Bent u nog altijd trots op uw Gentse Feesten?

DE BUCK: Ze zijn mijn eigendom niet, en zo heb ik het ook nooit aangevoeld. De Gentse Feesten zijn van iedereen. Zo hebben we het van bij het begin bedoeld: een stadsfeest dat toegankelijk is voor alle soorten mensen. Daarom is het ook zo belangrijk dat het gratis blijft. De organisatie moet daar echt over waken, want er zijn altijd mensen die overal geld uit willen slaan. De laatste jaren proberen journalisten me soms te laten zeggen dat de Gentse Feesten te groot zijn geworden, maar dat geloof ik echt niet. Na al die tijd is de geest nog niet veranderd. Maar dat er kritiek komt, is normaal. Gentenaars reclameren nu eenmaal graag. Nooit is het goed genoeg. Wel, ik weiger mee te doen met dat gezaag .

Tegenwoordig pakt het stadsbestuur graag uit met de Gentse Feesten. Was dat van bij het begin zo?

DE BUCK: Totaal niet. Toen we er pas mee begonnen, waren ze er niet blij mee. Meer nog: ze wisten niet wat hun overkwam. Al die vuilaards met hun lang haar! Op de zangstonde voor mijn tachtigste verjaardag is de woordvoerder van de Gentse politie zich nog komen verontschuldigen voor alle last die de flikken me destijds hebben bezorgd. Heel geestig. Maar hij had wel een punt: in de eerste jaren kwam de politie de boel keer op keer platleggen. Niet dat ik dat heel erg vond. Integendeel, dat paste allemaal in de geest van mei 68. (lacht) De situatie is veel verbeterd toen de socialisten en de liberalen hier samen aan de macht kwamen. Vanaf dat moment kregen we veel meer medewerking van het stadsbestuur. Tegenwoordig zijn ze op het stadhuis zelfs trots op de Gentse Feesten.

U wordt vaak een anarchist genoemd. Kunt u zich daarin vinden?

DE BUCK: Is dat misschien verkeerd? Ik heb er geen problemen mee dat ze me zo noemen, want ik ben een echte linkse rakker. Al voel ik me tegenwoordig meer een socialist, in de brede zin van het woord dan. Geen partijsocialist.

Waarom bent u dan in 1994 op de socialistische lijst voor de gemeenteraadsverkiezingen gaan staan?

DE BUCK: Omdat het Vlaams Blok aan een opmars bezig was. In Antwerpen was het Blok toen al groot en ik kon de gedachte niet verdragen dat het ook in Gent zover zou komen. Ik hoopte dat ik kon helpen door mijn populariteit in de strijd te gooien. Dat ik bij de socialisten op de lijst ging staan, lag voor de hand: die partij sloot het dichtst bij mijn gedachtegoed aan.

Waarom ging u uiteindelijk niet in de gemeenteraad zitten?

DE BUCK: Het was nooit de bedoeling geweest dat ik verkozen zou raken. Ik wilde helemaal geen schepen of gemeenteraadslid worden. Dat was niets voor mij. Maar ik had zo veel voorkeurstemmen behaald dat de socialisten vonden dat ze mij de een of andere job moesten geven. Zo ben ik attaché geworden op het kabinet van Dany Vandenbossche, die toen schepen van Cultuur was, en later bij burgemeester Frank Beke. Op zich heb ik er geen spijt van dat ik voor de stad heb gewerkt. Ik deed het ook best graag. Al ging het achteraf gezien toch wel tegen mijn aard in. Ik zit niet graag stil. Vroeger toch niet.

Ondertussen is het Vlaams Belang, zoals het Vlaams Blok nu heet, weer een klein partijtje. Stemt dat u optimistisch?

DE BUCK: In Gent is die partij nooit zo groot geworden als in andere steden. Dat komt doordat de meeste Gentenaars van nature links zijn en zich ook niets laten wijsmaken. De macht van de Gentse socialisten is daar trouwens voor een groot stuk op gebaseerd.

Bent u de SP.A altijd blijven steunen?

DE BUCK: Natuurlijk. Ik heb zelfs campagne gevoerd door met mijn doedelzak van deur tot deur te gaan. Voor Dany Vandenbossche, Frank Beke, Luc Van den Bossche. De socialisten waren mijn kameraden en zijn dat eigenlijk nog altijd.

Wat trekt u eigenlijk zo aan in het socialisme?

DE BUCK: Het is zoals in mijn liedje: ik zou willen leven in een wereld zonder geld. Nog altijd. Mijn hele leven lang heb ik geprobeerd om zo weinig mogelijk mee te draaien in de consumptiemaatschappij, en dat is me ook grotendeels gelukt. Ik ben dan ook geen bange man. Het schrikt me niet af om tegen de stroom op te roeien. Al heeft dat misschien niet veel met moed te maken: ik ben gewoon een goestendoender . (lacht)

Was het altijd al duidelijk dat u kunstenaar zou worden?

DE BUCK: Ik kom uit een heel artistieke familie, dus vonden mijn ouders het doodnormaal dat ik naar de academie ging en kunstenaar werd. Mijn moeder, die bij ons thuis de baas was, volgde wel heel goed wat haar kinderen deden. Om niet te zeggen dat ze ons controleerde. Ik zie het nu nog voor me, hoe ze destijds het Trefpunt binnenstapte. Ik was toen al een man van bijna dertig, maar ik schrok toch toen ik haar zag. Mijn moeder nam ook nooit een blad voor de mond. Maar ze was wel heel ruimdenkend. Toen ik als jonge gast naar India trok, bijvoorbeeld, begon ze meteen boeken over dat land en de ideeën daar te lezen.

Heeft uw verblijf in India veel invloed gehad op uw manier van denken?

DE BUCK: Heel zeker. Mijn interesse werd eind jaren vijftig gewekt toen ik in Sint-Martens-Latem een voordracht van een Indische goeroe bijwoonde. Zijn woorden spraken me enorm aan. Toen ik korte tijd later de Staatsprijs voor Beeldhouwwerk won, ben ik met de beurs die ik daarvoor had gekregen, naar India getrokken. Acht maanden heb ik doorgebracht in de ashram van die goeroe en daar heb ik me onder meer verdiept in oosterse symboliek.

Later hebt u niet alleen de Gentse Feesten een nieuw leven gegeven maar ook sociale projecten opgestart. Had u niet genoeg aan de kunst alleen?

DE BUCK: Ik ben gewoon niet het soort kunstenaar dat zich in een atelier terugtrekt. Ik heb altijd graag tussen de mensen gestaan. Zo zit ik nu eenmaal in elkaar. Helemaal in het begin, ja, toen maakte ik mijn beelden alleen, in mijn atelier. Maar al snel ben ik in groepsverband beginnen te werken. Dat heeft in mijn ogen alleen maar voordelen: in een collectief kunnen kunstenaars elkaar helpen en advies geven. Daaruit zijn dan de tewerkstellingsprojecten van Loods 13 gegroeid. Die sociale bewogenheid heeft er ook altijd in gezeten.

Naast uw beelden hebt u ook altijd muziek gemaakt. Is die liefde u ook met de paplepel meegegeven?

DE BUCK: Zeker. Mijn moeder was pianiste en gaf ook pianoles. En mijn grootouders organiseerden geregeld bijeen- komsten van artiesten en dan werd er gezongen, gefilosofeerd en natuurlijk ook wijn gedronken. Als kinderen liepen we daar gewoon tussen en hoorden we alle soorten muziek: van klassiek tot volksliedjes.

Ook van uw grote voorbeeld, de 19e-eeuwse volkszanger Karel Waeri?

DE BUCK: Hem heb ik pas later leren kennen, toen ik met Wannes Van de Velde op de academie zat. Wannes had een plaat gemaakt met liedjes van Waeri maar het Gentse dialect ging hem niet af. Als je die teksten in het Antwerps zingt, werken ze gewoon niet. Daarom vond hij dat ik het maar moest doen. In die tijd was ik al met muziek bezig: ik ging vaak op straat busken, zong volksliedjes en ook Franse chansons.

Wat sprak u zo aan in de liedjes van Waeri?

DE BUCK: De sociale bewogenheid vooral. Zijn teksten gaan over het leven van de arbeiders, over het werk in de fabrieken en de weverijen. Met zijn schalkse en soms gepeperde teksten wist hij zijn boodschap over te brengen bij het gewone volk. Dat heb ik ook altijd geprobeerd.

Moet een lied voor u een boodschap hebben?

DE BUCK: Dat hoeft niet, maar ik heb het wel graag. (denkt lang na) De nieuwe muziek heb ik nooit specifiek gevolgd, maar als ik ging optreden, kwam ik er vanzelf mee in aanraking. Vandaag zijn er nog altijd volkszangers zoals Waeri vroeger, maar ze klinken soms heel anders. Zoals die Gentse jongen die een rapversie van een van mijn liedjes heeft gemaakt. Heel tof vond ik dat.

Werkt u nog aan nieuwe nummers?

DE BUCK: De laatste tijd ben ik niet echt meer met schrijven en componeren bezig. Zingen doe ik wel nog, daar zal ik waarschijnlijk nooit mee stoppen. Ook met tekenen en boetseren ga ik door.

Doet het u eigenlijk goed dat zoveel mensen, vooral Gentenaars dan, uw liedjes uit het hoofd kennen?

DE BUCK: Tijdens de wedstrijden van AA Gent zingen ze nog altijd 't Vliegerke. Zowel bij de aftrap als na een doelpunt. Dat is nu wel geen liedje dat ik zelf heb geschreven, maar het is toch door mij bekend geworden. Toen de Ghelamco Arena werd geopend, heb ik daar ook mogen spelen. Heel plezant.

Van mijn eigen liedjes is vooral 'k Zou zo gere willen leven bekend. Daar ben ik wel blij mee, want dat is toch een beetje mijn lijflied. Die tekst gaat over de manier waarop ik heb proberen te leven. Zonder daar al te veel moeite voor te hoeven doen, ben ik mezelf altijd trouw gebleven. Ik ben ook erg aan mijn vrijheid gehecht. Nu nog. In mijn leven heb ik kunnen doen wat ik graag doe: liedjes schrijven, optreden, beeldhouwen. Altijd met volle goesting . En ik heb ook altijd mijn gedacht gezegd. Of de mensen dat nu graag hadden of niet. Nee, spijt heb ik niet. Van niets. (glimlacht)

Lees meer over:

Onze partners