Damien Jurado (Huis 23) & Ásgeir (Botanique): De hoogste regionen van de notenbalk

04/12/13 om 12:12 - Bijgewerkt om 12:12

Bron: Knack Focus

Dinsdag haastte onze concertrecensent zich van de ene Brusselse zaal naar de andere om twee interessante singer-songwriters mee te pikken: de Amerikaan Damien Jurado en de IJslander Ásgeir.

Damien Jurado (Huis 23) & Ásgeir (Botanique): De hoogste regionen van de notenbalk

Wat doe je als twee interessante singer-songwriters op dezelfde avond in Brussel spelen en de timing het toelaat ze allebei aan het werk te zien? Kiezen is verliezen, dus gingen wij voor de winst. Na het concert van de Amerikaan Damien Jurado trokken we naar dat van de IJslander Ásgeir.

DAMIEN JURADO

Na de jaarwisseling, op 21 januari om precies te zijn, brengt Damien Jurado zijn uitstekende elfde langspeler uit. Die plaat zal 'Brothers and Sisters of the Eternal Son' heten en tot besluit van een dag vol persinterviews werd de singer-songwriter uit Seattle bereid gevonden een intiem optreden te verzorgen in Huis 23, zeg maar de publieke huiskamer van de AB.

De nieuwe cd is rijk geïnstrumenteerd en werd, net als de vorige twee, geproducet door Richard Swift. In Brussel had Jurado echter enkel zijn stem en akoestische gitaar ter beschikking en besloot hij zijn liedjes te laten horen zoals hij ze thuis speelt, zonder enige versterking. Die sobere 'less is more'-aanpak bleek een schot in de roos. Maar aangezien de meeste toeschouwers zijn nieuwe songs nog niet hadden gehoord, konden ze sowieso niet vergelijken.

De zanger wisselde nummers uit 'Saint Bartlett' (2010) en het vorig jaar verschenen 'Maraqopa' af met vers materiaal zoals het ingetogen 'Magic Number', het bossanova-achtige 'Silver Timothy' en het verhalende maar in zichzelf verzonken 'Jericho Road', waarin hij als een wolf naar de maan huilde. Een ander nieuw nummer, waarvan we vermoeden dat het 'Born Twice' heet, valt op 'Brothers and Sisters...' nog niet eens te horen, omdat het tot stand kwam nadat de opnamen al waren afgerond. Zoals gewoonlijk vormt het weidse Amerikaanse landschap met zijn eindeloze snelwegen, eenzame benzinestations en groezelige motels ook nu weer het decor van Damien Jurado's liedjes. Alleen speelt dit keer ook religie in de teksten een belangrijke rol.

Zelfspot

Tussendoor vertelde de artiest grappige anekdotes over zijn recente samenwerking met Moby, wat aanleiding gaf tot het met een frêle falsetstem gezongen 'Almost Home', gaf hij de toeschouwers de kans hem iedere vraag te stellen die bij hen opkwam en liet hij, niet zonder zelfspot, weten dat hij lang niet zo'n kwaad of depressief kereltje was als zijn discografie deed vermoeden. De afgekloven uitvoeringen van zijn songs deden afwisselend denken aan het druilerigste van Neil Young en het kaalste van Bruce Springsteen (zie 'Nebraska' en 'The Ghost of Tom Joad'), maar dat zijn slechts wegwijzers voor wie Damien Jurado niet kent. Want zoals hij nog eens aangaf met publieksfavorieten als 'Museum of Flight', 'Working Titles', 'Rachel & Cali' en de, voor de gelegenheid ietwat stuntelig op piano gespeelde afsluiter 'Cloudy Shoes', is hij meer dan getalenteerd genoeg om in de schaduw van die muzikale reuzen zijn eigen plekje op te eisen.


ÁSGEIR

Na de set van Damien Jurado spoedden we ons als de weerlicht naar de Botanique waar we net op tijd aankwamen in een afgeladen Rotonde om er de 21-jarige Ásgeir Trausti Einarsson aan het werk te zien. Vorig jaar verscheen die uit het niets met 'Dýrð í dauðaþögn', een langspeler die in enkele maanden uitgroeide tot het best verkochte IJslandse debuut ooit. Het werkstuk, waarvoor de meeste teksten waren geschreven door Ásgeirs bejaarde vader, een 72-jarige dichter en literatuurdocent, begon vervolgens aan een internationale veroveringstocht. De Amerikaanse zanger John Grant, die tegenwoordig in Reykjavik woont, vertaalde de songs in het Engels en de tot 'In the Silence' herdoopte cd blijkt nu ook in de Benelux aan te slaan. Zopas haalde hij zelfs de jaarlijst van het Nederlandse muziekblad Oor. U hebt het dus al in de gaten: er worden van de singer-songwriter uit het afgelegen Laugarbakki grootse dingen verwacht.

Hoe Ásgeirs succes te verklaren valt? De ietwat verlegen jongeman ziet er, zeker in de ogen van een vrouwelijk publiek, behoorlijk appetijtelijk uit, schrijft mooie liedjes die stilistisch het midden houden tussen akoestische folkrock en ijle elektropop en heeft een soepele falsetstem waarmee hij moeiteloos de hoogste regionen van de notenbalk haalt. Bovendien sluit zijn sound perfect aan bij die van Bon Iver en James Blake, twee artiesten die dezer dagen bijzonder goed in de markt liggen.

Tweedehands

Echt origineel is Ásgeir dus niet en het is maar de vraag of zijn carrière, buiten IJsland, een lang leven beschoren zal zijn. Maar goed, dat is zorg voor later. In Brussel liet de zanger, die afwisselend keyboards en gitaar speelde, zich begeleiden door een vierkoppige band, waarin we niet alleen zijn producer aantroffen, maar ook zijn broer Thorsteinn, de frontman van de in IJsland razend populaire reggaeband Hjálmar. De laatst genoemde kon je herkennen aan de T-shirt met het opschrift 'Take me drunk, I'm home'.

De songs stonden nu eens in het teken van akoestische fingerpicking ('Summer Guest'), en werden dan weer gedomineerd door breed uitgesmeerde synthlagen ('Head in the Snow'). Ook de drummer combineerde voortdurend organische beats met elektronische. Ásgeir is duidelijk een kind van zijn tijd en dat leverde een aantrekkelijk geluid op: het ene moment ingetogen, het andere jubelend, maar vaak een beetje tweedehands. Wanneer je tijdens 'Was There Nothing?' de ogen sloot, zou je gezworen hebben dat Isbells op het podium stonden, terwijl je in andere nummers soms een unplugged-versie van Sigur Rós meende te horen.

Al helemaal vreemd was dat de zanger, op drie nummers na, zijn hele set in zijn moedertaal bracht, terwijl bij ons enkel de Engelstalige versie van zijn cd verkrijgbaar is. Een typisch voorbeeld van IJslandse koppigheid? Misschien, maar ook van zelfoverschatting. Want wat bij Sigur Rós goed uitpakt, omdat die groep nu eenmaal met klanken schildert en ze de stem van Jónsi louter als muziekinstrument gebruikt, werk niet per se bij een artiest van het type dat het in ruime mate van zijn teksten moet hebben. Wat Ásgeir in Brussel precies wilde communiceren, was ons dus niet helemaal duidelijk. Toegegeven, hij kwam ermee weg omdat zijn taal voor een Belgisch publiek een zekere exotiek uitstraalt. Maar of het hem op lange termijn zal helpen in Europa een stevige voet aan de grond te krijgen? Ondergetekende durft er zijn hand niet voor in het vuur te steken.



Dirk Steenhaut

Onze partners