‘100 jaar Zesdaagse’ is een rommeltje. Een sympathiek rommeltje, dat wel

2 / 5
© © VRT
2 / 5

Programma - 100 jaar Zesdaagse

Wanneer en waar uitgezonden - Dinsdag 25/10, Eén, 21.30, en op VRT Max

Tine Hens
Tine Hens Journaliste voor Knack

‘Als ik sterf, mogen ze mijn assen hier uitstrooien.’ Ex-wielrenner Bradley Wiggins heeft een bijzondere band met de wielerpiste ‘t Kuipke in Gent. Het is het mooiste en meest ontroerende moment in de driedelige reeks die sportpresentator Karl Vannieuwkerke maakte. Terwijl Wiggins langs de lege tribunes en door de verlaten gangen doolt, vertelt hij hoe hij daar als tweejarige op de knie van zijn vader zat en hoe hij hem pas zeventien jaar later zou terugzien, opnieuw in ‘t Kuipke.

Wiggins is intussen zelf renner geworden, en zijn vader kan het niet laten hem toe te bijten dat hij nooit zo goed zal zijn als hij. Meer heeft een ambitieuze jongen niet nodig om een leven lang het ongelijk van zijn vader te bewijzen. ‘t Kuipke, zo vertelt Wiggins, is voor hem als het Romeinse Colosseum: een kathedraal, een heiligdom.

Zoals in de betere uitlegtelevisie herhaalt Vannieuwkerke nog eens kort wat Wiggins allemaal precies zei. Toen televisies nog antennes hadden, was het misschien nodig nu en dan te pauzeren en het voorgaande samen te vatten. Het geluid kraakte al eens, het beeld kon tijdelijk wegvallen. Om iedereen mee te hebben, was herhaling noodzakelijk. Maar ondertussen hebben we kabels of kijken we digitaal. Het is niet omdat je een programma maakt over een fenomeen dat honderd jaar bestaat, dat je de manier van televisie maken moet nabootsen. Of dat je je programma moet serveren zoals men gebakken uien op hamburgers kwakt.

Er wordt aan olympische snelheid heen en weer in de geschiedenis gesprongen.

Het is duidelijk dat de researchers van deze driedelige reeks iedere kier, krocht, dramatische en andere anekdote van de wielerzesdaagse kennen. De eerste aflevering mag dan wel Kenny De Ketele bereidt zich voor op zijn laatste Zesdaagse van Gent heten, ze gaat amper over De Ketele. Naast Eddy, de man bij wie De Ketele steevast logeert als hij in Gent is, passeren ook de gewezen sportjournalist Freddy en zijn vrouw Carine de revue, met in hun kielzog de vaste parketspecialist van de wielerbaan, Nico. Allemaal mogen ze omstandig uitleggen wat die Zesdaagse en ‘t Kuipke nu zo bijzonder maken. Ze doen dat in weinig variaties op de woorden ‘fantastisch’ en ‘legendarisch’.

Enkel Iljo Keisse valt wat uit de toon tijdens het geschal van de loftrompetten dat permanent in deze reeks weergalmt. Hij noemt ‘t Kuipke een ‘oud, vuil kot’. Pas na tien minuten in de eerste aflevering kom je trouwens te weten hoe de Zesdaagse ontstond. Het was een afgeleide van het circus. In plaats van beren, olifanten en leeuwen die kunstjes deden in een met zaagmeel bestrooide piste, reden wielrenners rondjes terwijl het publiek zich te goed deed aan worstenbrood en bier. Siberië, zo heette de wielerbaan van Gent in de begindagen, omdat de hal waarin de piste aanvankelijk lag – het feestpaleis in het Citadelpark – niet te verwarmen was. ‘In die tijd,’ zo oreert Eddy in de galm van die oude hal, ‘waren de winters nog streng en was het ijskoud’.

Ik kan me inbeelden dat mensen die zes dagen lang renners rondjes zien draaien al eens duizelig huiswaarts keren. Zeker als al dat feestgedruis gemarineerd is in alcohol. Ook deze reeks maakt je draaierig. Er wordt aan olympische snelheid heen en weer in de geschiedenis gesprongen. Mensen komen in beeld en vertellen iets, waarna Vannieuwkerke, de ceremoniemeester van dienst, met het enthousiasme van een jongetje dat in zijn stickerboek bladert alles nog eens samenvat. De bedoelingen zijn goed – men wil de nostalgie prikkelen, de verstokte fans eren, de helden van de koers vieren – maar het resultaat is een rommeltje. Een sympathiek rommeltje, dat wel.

Partner Content