Maarten Inghels, één jaar stadsdichter van Antwerpen: ‘Ik wil een naïeve inbreker zijn’

© Dries Segers
Jorik Leemans
Jorik Leemans Freelancejournalist

Dichter Maarten Inghels sluit de Poëzieweek af met een tussentijdse balans van zijn stadsdichterschap in Antwerpen. ‘Ik vraag de Antwerpenaren niet of ze een brug of een tunnel willen, ik vraag naar hun dromen.’

‘Waar kom jij vandaan?’ vraagt Maarten Inghels (28) terwijl de jonge serveuse zenuwachtig onze bestelling opneemt.

‘Merksem.’

‘Ik groeide op in Edegem. Voor mij was de stad een vlucht naar opwinding, naar een andere realiteit. Ik ging er vanaf mijn zestiende vaak naar het theater. Antwerpen was waar het gebeurde in de literatuur. In Edegem was dat helemaal niet zo en vond ik niet direct gelijkgestemden.’

Het was onvermijdelijk dat Maarten Inghels de overstap zou maken naar de Grote Stad, waar alle kunsten samenkomen. Op zijn dertiende schreef Inghels immers al zijn eerste gedichten en pastiches, en werkte hij aan zijn eerste roman. Wist de jongen veel dat hij veertien jaar later benoemd zou worden tot stadsdichter van Antwerpen. Op donderdag 28 januari 2016 nam Inghels de taak van Stijn Vranken over, voor twee jaar. Een daarvan is nu verstreken. Tijd voor een tussentijdse evaluatie van zijn stadsdichterschap.

Was je verrast toen de stad je vroeg?

INGHELS: Enorm. Ze stonden plots voor mijn deur en ik had het absoluut niet zien aankomen. Ik heb een avond en een nacht bedenktijd gevraagd, maar het was een kans die ik niet kon laten schieten. Binnen het kader van de stad kon ik experimenteren en met hedendaagse poëzie een groot publiek proberen te bereiken.

Ik wilde iets nieuw maken en ik wist niet of dat wel ging werken in de structuur van de stad.

Met je 27 lentes werd je de jongste stadsdichter tot nu toe. Over druk op de schouders gesproken.

INGHELS: Ik denk niet zozeer dat mijn leeftijd er extra gewicht aan gaf. Het was eerder het feit dat mijn voorgangers zulke grote namen waren. De grootste stress kwam eigenlijk doordat ik iets groot wilde doen, iets nieuw wilde maken en omdat ik niet wist of dat wel ging werken in de structuur van de stad. Ik heb echter alle vrijheid gekregen, en dat is heel fijn.

Je schreef al zeven stadsgedichten, waaronder Volksbevraging. Daarin peil je naar het gemoed, het geloof en de cultuur van de Antwerpenaar. Laat ons jou eens enkele van je eigen vragen voorschotelen.

INGHELS: (lacht)

Het recht om vergeten te worden of het recht om verkeerd begrepen te worden?

INGHELS: (onmiddellijk) Het recht om vergeten te worden. Dat is een thema dat mij al geruime tijd bezighoudt. Het verlangen om te verdwijnen of het verlangen naar onzichtbaarheid, het is een onderzoek waar ik nog niet klaar mee ben.

Maarten Inghels, één jaar stadsdichter van Antwerpen: 'Ik wil een naïeve inbreker zijn'
© Dries Segers

Dan is stadsdichter worden niet bepaald de beste keuze.

INGHELS: Nee, dat is een valstrik. Met het stadsdichterschap ben ik net het meest zichtbaar en dat is inderdaad tegenstrijdig. Ook omdat ik in het Middelheimmuseum een residentie heb gekregen – een atelier met vier grote ramen – waardoor ik eigenlijk continu te bekijken ben. En dat terwijl mijn werk vaak over een soort verlangen naar onzichtbaarheid gaat.

Hoe vertaalt dat verlangen zich naar de realiteit?

INGHELS: Voor het stadsdichterschap heb ik het telefoonnummer 03/369.78.88 laten maken. Als je dat nummer draait, krijg je een keuzemenu: ‘Voor het eerste stadsgedicht, druk 1. Voor het tweede stadsgedicht, druk 2…’ Maar ik heb mijn voicemail uitgeschakeld, waardoor mensen geen berichten meer kunnen achterlaten. Ik ben 24/24 beschikbaar, maar toch onbereikbaar.

‘Altijd bereikbaar’, lezen we nochtans op je website. Een flagrante leugen?

INGHELS: Ik weet niet of het een leugen is. Een soort variant van mij is beschikbaar. Een duplicaat.

Volgende vraag uit je peiling: wat spookt er door je hoofd? Streep door: geldperikelen / jodiumpillen / verdoving / kinderen / verveling / huisdieren.

INGHELS: Sowieso geldperikelen: ik heb altijd te weinig. Verdoving is een gekend verlangen, denk ik. Kinderen, verveling en huisdieren zelden. Ik heb in 2016 ook wel jodiumpillen gekocht, voor het geval dat.

Een laatste: hoe hoog moeten hagen groeien?

INGHELS: Een ideale wereld bestaat zonder hagen. Of een haag van een meter hoog, iets waarover je een conversatie kunt hebben. Een haag met kijkgaten.

Voor je laatste gedicht Ik volg de rivier, ik ben de rivier wandelde je de Schelde af, vanaf de bronin het Franse Gouy-Le-Catelet tot in Antwerpen.

INGHELS: Het nieuwe havenhuis ging open en ik wilde iets schrijven voor de Schelde. Ik ga vaak joggen aan het Noordkasteel, tevens de mooiste Scheldebocht. Je ziet er de zon ondergaan in de zomer, en ’s nachts licht de haven op, alsof ze wordt aangestoken door de zon. Ik dacht dat het mooi zou zijn om in die bocht een gedicht aan te brengen. Ten tweede wist ik dat de stad Antwerpen de helft van de Scheldebron had aangekocht voor een symbolisch bedrag. Ik vroeg mij af wie de stroom op onregelmatigheden controleerde en besloot dat het dan maar de taak van de stadsdichter was om te zien of de stroom nog naar behoren werkt.

Je goot het gedicht in een speciale vorm.

INGHELS: Toen ik besloten had de tocht te doen en die tekst te schrijven, had ik het idee een uitgave te maken met een flacon. Ik wil als stadsdichter minder werken met gedichten op lege muren en meer rond objecten die inbreken in het dagelijkse leven van de Antwerpenaar. Voor dit gedicht koos ik een flacon Scheldewater, zoals je in Lourdes een Mariabeeldje met wijwater krijgt. Het water is ongefilterd, dus zal het mettertijd groen worden door de algen. Het zal beginnen te leven.

Mijn werk vaak over een soort verlangen naar onzichtbaarheid.

Is de Schelde voor jou de ultieme visuele poëzie?

INGHELS: (denkt na) Misschien wel. Als poëzie voor beweging in een stad staat en voor een metamorfose zorgt, dan is een rivier inderdaad de ultieme belichaming daarvan. Het is leven en dood tegelijkertijd. Het beweegt, als economische en als visuele motor. Anderzijds staat de rivier symbool voor de dood. In mijn tekst schrijf ik: Hoeveel lijken zijn er al uit deze rivier gehaald en hoeveel zal ik er op mijn voettocht vinden? De dag dat ik aankwam in Antwerpen werd er het lichaam van een jonge gast uit het water gevist.

De dood inspireerde jou al vaker, bijvoorbeeld in Eenzame Uitvaarten, het project waarbij dichters eenzaam gestorvenen eren bij hun graf.

INGHELS: We blijven dat nog altijd doen, die Eenzame Uitvaarten. Maar het is een rustige periode. Dat staat in schril contrast met de hectiek van het stadsdichterschap.

Je zit nu in de helft van je ambtstermijn. Wat mogen we nog verwachten?

Maarten Inghels, één jaar stadsdichter van Antwerpen: 'Ik wil een naïeve inbreker zijn'
© Dries Segers

INGHELS: Wat ik al kwijt kan, is wat ik met de Volksbevraging zal doen. Ik verzamel nu de laatste antwoorden en ga in de loop van het jaar met de resultaten naar buiten komen. Sommige mensen werden een beetje vervelend van de lijst, omdat ze heel persoonlijke en geen eenduidige vragen bevat. Maar daarom is het ook poëzie en geen belastingformulier. Ik vraag niet of ze een brug of een tunnel willen, ik vraag naar hun dromen.

Wat betekent poëzie anno 2017 nog volgens jou?

INGHELS: Best veel, denk ik. In een steeds warriger wordende en versnellende wereld, waarin veel draait rond onechtheid, denk ik dat poëzie voor stilstand kan zorgen. Poëzie kan inbreken in het dagelijkse leven en ons tot een bevraging dwingen van ons zijn.

Brengt het mensen bij elkaar?

INGHELS: Poëzie kan een breuk wel in vraag stellen, maar kan volgens mij niet lijmen. Veel van mijn gedichten gaan over gebrekkige communicatie, maar poëzie heelt dat niet. Mijn stadsgedicht De schaduw van het denken stuurde ik bijvoorbeeld met een radiosatelliet naar de maan, om de weerkaatsing ervan weer op te vangen. Dat werk staat voor mij centraal als ik het heb over het lijmen van een breuk of afstand.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Probeer je als stadsdichter dingen te veranderen? Je schreef vorig jaar een brief aan burgemeester De Wever over onder meer de militairen op straat.

INGHELS: Ik ben een slechte activist, denk ik. Ik wil eerder onderzoeken wat de rol is van de soldaten in het stadsbeeld. Ik focus mij veel meer op hoe een stad werkt. Het mooie daarbij is dat ik tijd kan vrijmaken om te gaan praten met veel mensen.

Ik hoop dat mijn doortocht hier en daar een struikelblok is geweest.

De brief schoot in het verkeerde keelgat bij toenmalig schepen voor Cultuur Philip Heylen (CD&V): ‘De Kunstenaar en de Open Brief, die karikatuur – een hoopje clichés bijeen.’

INGHELS: Dat was een bizar antwoord, aangezien geen enkele van mijn voorgangers een open brief had geschreven. Het is niet dat dat onder kunstenaars een begrip is. Het wás ook geen open brief. Het was een brief aan de burgemeester, waarin ik de burgemeester voornamelijk vroeg of hij van poëzie houdt. De schepen was vooral geïrriteerd omdat ik daar liet zien dat ik geïnteresseerd ben in hoe een stad werkt en minder zin had om gewoon een gedicht op te hangen om de aandacht af te leiden van iets anders.

Zal je Antwerpen in 2018 helemaal doorgrond hebben, denk je?

INGHELS: Helemaal niet, maar ik leer veel bij over de stad. Ik hoop dat mijn doortocht hier en daar een struikelblok is geweest. Ik wil een naïeve inbreker in de stad zijn door het dagelijkse leven te onderbreken met mijn poëzie, door een gedicht te zaaien in een park of door een telefoonlijn die niet werkt. Ik wil een inbreker zijn die zijn sporen nalaat.

Alle stadsgedichten van Maarten Inghels kan je terugvinden op zijn website.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content