Auteur Jeroen Brouwers overleden

© Belga

De Nederlandse auteur Jeroen Brouwers is op 82-jarige leeftijd overleden. Zo melden verschillende Nederlandse media.

Brouwers stond bekend als krachtpatser binnen de Nederlandse letteren. Doorheen zijn lange carrière – zijn debuutroman Joris Ockeloen en het Wachten verscheen in 1967 – ontving hij onder meer de Gouden Uil, de Multatuliprijs en de ECI Literatuurprijs. vorig jaar ontving hij nog de Libris Literatuurprijs voor Client E. Busken.

Andere bekende romans van zijn hand zijn Bittere Bloemen, Geheime Kamers, Het Hout en Bezonken Rood. Die laatste titel is een autobiografische roman, waarin Brouwers vertelt over zijn kleutertijd in een Japans interneringskamp. Brouwers werd namelijk in 1940 geboren in Batavia te Indonesië, tegenwoordig gekend als Jakarta. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de streek bezet door Japan. In 1948 verhuisde hij naar Nederland, waar hij zijn geprezen oeuvre bijeenschreef.

Brouwers is overleden na een kort ziektebed.

(Her)lees ook:
– Recensie: Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers: ‘Indrukwekkende stijl, taal en introspectie’
– Het laatste Knack-interview met Jeroen Brouwers, naar aanleiding van zijn eerder verschenen roman Het hout: ‘Dat oeuvre van mij is wel iets. Ik heb mijn leven goed besteed’

Biografie: Legende van letteren die niet vies was van een relletje

Met het overlijden van Jeroen Brouwers op 82-jarige leeftijd verdwijnt een monument uit de Nederlandse letteren. In de voetsporen van de Grote Drie (Harry Mulisch, Gerard Reve en Willem Frederik Hermans) timmerde Brouwers meer dan 50 jaar lang aan een breed oeuvre als romanschrijver en essayist/polemist. Brouwers liet de Nederlandse letteren regelmatig knetteren, niet alleen met romans als “Bezonken rood”, “De zondvloed” en “Geheime kamers”, maar ook met scherpe polemieken en met geruzie over literaire prijzen. “Mijn zinnen zijn mijn hartslag”, zei Brouwers ooit. Brouwers’ hartslag is nu gestopt, zijn zinnen wellicht nog lang niet.

Een biografie. Brouwers zou er zelf wellicht van gruwen. Alles staat in mijn boeken, zei hij vaak. “Ik ben geboren in 1940 en vandaag of morgen – al kan dit best nog jaren duren – ga ik dood. In de tussentijd heb ik boeken geschreven. Dit is alles. Van ‘biografie’ wil ik niets weten. De boeken die ik heb geschreven vormen mijn biografie: zij zijn de voetstappen die ik nalaat op mijn weg. Al mijn boeken zijn autobiografisch en niettemin alle gelogen – ik schrijf dan ook niet historie, maar literatuur: de mijne”, zo schreef hij zelf in 1991 in “Het vliegenboek”.

En toch – of misschien net daarom – is die levensgeschiedenis belangrijk om het werk van Brouwers te begrijpen. Jeroen Godfried Maria Brouwers werd op 30 april 1940 geboren op Batavia (nu Jakarta), de toenmalige hoofdstad van Nederlands Indië. Na de Japanse invasie in 1942 werd zijn vader overgebracht naar een krijgsgevangenkamp in de buurt van Tokio. Brouwers belandde met zijn moeder, oma en zusje in het ‘jappenkamp’ voor vrouwen Tjideng. Zijn grootmoeder overleefde het kamp niet.

Het harde en wrede bestaan in dat gevangenenkamp staat neergeschreven in “Bezonken rood” (1981), dat samen met “Het verzonkene” (1979) en “De zondvloed” (1988) het Indië-drieluik vormt in het oeuvre van Brouwers. Over “Bezonken rood” ontstond een polemiek tussen Brouwers en Rudy Kousbroek. Die laatste verweet Brouwers de waarheid over de Japanse gevangenkampen aangedikt te hebben. Brouwers pareerde de kritiek en verdedigde zich met het recht op literaire verbeelding: “Ik heb niet gelogen, ik heb een roman geschreven.”

Bij de terugkeer naar Nederland werd Brouwers naar een rooms-katholiek pensionaat gestuurd. Brouwers bestempelde die periode later als “een plaatsvervangend jappenkamp”. De sporen van die periode van discipline, strafmaatregelen en misbruik staan in “Het Hout” (2014) waarvoor Brouwers de ECI Literatuurprijs kreeg.

Begin jaren ’60 zet Brouwers zijn eerste stappen als journalist, schrijver en redacteur. In 1964 trekt hij met zijn vrouw Nel (Nelleke) Berns naar Brussel, waar hij aan de slag gaat bij de Vlaamse uitgeverij Manteau. Het is ook bij die uitgeverij dat in 1964 zijn debuut “Het mes op de keel”, een verhalenbundel, verschijnt. Brouwers blijft tot 1975 voor Manteau werken, maar stapt dan op na conflicten met Manteau-directeur Julien Weverbergh. Brouwers keert (tijdelijk) terug naar Nederland.

In diezelfde periode, meer specifiek in 1970, pleegt Anne Walravens, met wie Brouwers een verhouding had, zelfmoord. Het is een scharniermoment in het leven en werk van de auteur. Brouwers was al gefascineerd door zelfdoding en de zelfdoding van zijn 23-jarige geliefde werkt als een katalysator. Literair mondt dat uit in het vuistdikke naslagwerk “De laatste deur”, met als ondertitel “Essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren”. Het boek is opgedragen aan Walravens. Zij duikt ook in verschillende gedaanten en onder verschillende namen op in andere werken. Zo heet ze Aurora in “Zonsopgangen boven zee” en Iris in het verhaal “De Exelse testamenten”.

Zijn terugkeer naar Nederland in 1976 vormt een nieuw begin. Brouwers wordt voltijds schrijver en ontpopt zich ook tot een actieve polemist. Brouwers schuwt knuppel noch hoenderhok. Zo krijgt hij het aan de stok met Vlaamse auteurs als Ward Ruyslinck na kritiek op de Vlaamse letteren en neemt hij met “De Nieuwe Revisor” (1979) de heersende ‘jongensliteratuur’ op de korrel. In 2010 zijn alle polemieken van Brouwers gebundeld in “Hamerstukken: alle polemieken en korzeligheden”, 768 bladzijden verbaal vuurwerk en scheldproza.

Ook buiten zijn geschriften is Brouwers niet vies van een relletje. Brouwers sleepte door de jaren heen zowat alle mogelijke literaire prijzen en bekroningen in de wacht, van de Multatuliprijs over de Gouden Uil en de AKO Literatuurprijs tot de Libris Literatuur Prijs. In 2007 schopte Brouwers de nodige stennis door de prestigieuze Prijs der Nederlandse Letteren te weigeren. De auteur weigerde de prijs omdat het bijhorende geldbedrag (16.000 euro) “een aalmoes” vond en niet in overeenstemming met het prestige van de prijs. Het jaar nadien verhoogde de Nederlandse Taalunie het prijzengeld naar 40.000 euro. Brouwers gaf toen prompt aan zijn prijs alsnog te willen aanvaarden, maar daar wilde de Taalunie niet van weten.

Ondanks de karrevracht prijzen en bekroningen heeft Brouwers zichzelf een “mislukt schrijver” genoemd. “Ik zeg al mijn leven lang tegen mezelf dat ik een mislukt schrijver ben, want dat ik niet van mijn vak kan leven. Kunnen leven van je beroep is voor mij nog altijd de sleutel van succes. In literaire zin voel ik me geen mislukte schrijver. Maar in maatschappelijke zin wel: ik kan mismoedig worden als er geen boeken worden verkocht”, zei hij bijvoorbeeld in een interview met de Vlaamse schrijfster Margot Vanderstraeten.

In 1993 verhuist Brouwers naar het Belgisch-Limburgse Zutendaal. Hij had er een boshuisje gekocht dat oorspronkelijk een weekendverblijf was. Maar er was geen bouwvergunning en het huis lag in een kwetsbaar gebied. Na een jarenlange juridische strijd ging Brouwers’ ‘recluse’ in 2017 tegen te vlakte, in weerwil van de Latijnse spreuk ‘Noli me tangere’ (Raak me niet aan) die op de gevel van het huisje prijkte. “Het huis nu moeten afbreken, is als te worden gedwongen een dierbare te vermoorden”, zei Brouwers.

Brouwers heeft altijd een nauwe band gehad met Vlaanderen en de Vlaamse letteren. “Er is geen Hollander die zich zo uitputtend bemoeid heeft met de Vlaamse literatuur en de Vlaamse taal als ik”, zei hij zelf. “Ik word door Vlamingen ook meer bemind dan door Nederlanders. De aard van mijn karakter leunt meer bij hen aan.”

Het is ook geen toeval dat veel Vlaamse auteurs Brouwers als een voorbeeld zien. Zo zei auteur Walter Van den Broeck het volgende over het stilistische meesterschap van Brouwers: “God schiep eerst het Brouwers, daarna het Nederlands en tenslotte het schamele taaltje waarmee wij, gewone stervelingen, ons elke dag moeten behelpen”. Of Tom Lanoye: “Brouwers is zelfs geen monument, maar een onherstelbaar, schitterend litteken in het werk en de stijl van velen en ik sta erbij op de eerste rij.”

Brouwers geldt trouwens niet alleen voor veel hedendaagse Vlaamse en Nederlandse schrijvers als voorbeeld, hij laat ook buiten zijn oeuvre sporen na. Zo maakte rockgroep De Mens het nummer “Jeroen Brouwers schrijft een boek”, is er een boekhandel in Mechelen en Roeselare vernoemd naar “De zondvloed” van Brouwers en staat het bekende citaat “Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt” gegraveerd in de etalage van de Antwerpse antiquair Demian.

Brouwers sukkelde al langer met zijn gezondheid. Ondanks ademhalings- en keelproblemen bleef hij hardnekkig roken. Voor het schrijven van “Het Hout” moest Brouwers ook opnieuw leren schrijven na twee herseninfarcten. Een bijzonder moeizaam proces voor iemand die altijd trouw is gebleven aan pen en papier. Het is zoals de auteur zelf schreef in “De Zondvloed”, het werk waar hij zelf het meest tevreden over was: “De dood neemt tal van voorschotten voordat hij de ultieme rekening presenteert: nadat je één keer nieuwe tanden hebt gekregen, begint de dood die één voor één weer van je af te nemen: vanaf zeker dag groeit er geen nieuw haar meer op je hoofd: de dood neemt als voorschot je rimpelloze huid, de soepelheid van je gewrichten, je geheugen, soms zelfs een nier, een long, een arm, een been, een vinger…”

Vorig jaar won Brouwers voor het eerst in zijn carrière de Libris Literatuur Prijs met “Cliënt E. Busken”, zijn naar eigen zeggen laatste boek. Hij heeft gelijk gekregen.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content