‘The Card Counter’ van Paul Schrader: ‘Taxi Driver’, maar dan aan de pokertafel

Dave Mestdach
Dave Mestdach Chef film van Knack Focus

De man die 45 jaar geleden Taxi Driver schreef, voert in The Card Counter nog een getroebleerde eenzaat op, deze keer niet met de tronie van Robert De Niro maar met die van Oscar Isaac.

Een door oorlogstrauma’s getekende loner die anoniem door het leven doolt, tot hij getriggerd wordt om op wraakmissie te trekken: met Travis Bickle, de antiheld uit Martin Scorsese’s Taxi Driver, liet Paul Schrader 45 jaar geleden al zo’n type uit zijn koker ontsnappen, en met zijn nieuwste, nu ook door hemzelf geregisseerde thriller The Card Counter voegt hij daar nog een licht explosief exemplaar aan toe.

Dit keer heet de tikkende tijdbom niet Travis Bickle maar William Tell, zat hij niet in Vietnam maar in Irak en wordt hij niet geïncarneerd door Robert De Niro maar door Oscar Isaac. Sinds zijn tour of duty trekt Tell van casino naar casino om een bescheiden bestaan bijeen te gokken en verder vooral onder de radar te blijven. Tot de voormalige legerofficier het bezoek krijgt van een jonge kerel wiens vader nog samen met hem heeft gediend in de gevangenis van Abu Ghraib.

Het is het startschot van een onderzoek naar Tells militaire verleden en een confrontatie met zijn demonen, aan de goktafel en daarnaast. Tussendoor last Schrader, die in 2017 eindelijk zijn oude vorm terugvond met het spirituele drama First Reformed, enkele furieuze flashbacks in die duidelijk maken hoe het er in de martelkamers van Abu Ghraib aan toe ging.

Ik vroeg me af: wat heeft een gokker die gokt om de tijd te doden uitgespookt dat hij geen verlossing kan vinden? Een moord? Een overval? Nee, erger. Hij heeft de natie bevlekt.

‘Bij een scenario tellen twee dingen’, poneert Schrader, veteraan van de ‘movie brats’-generatie van Scorsese en Spielberg, een man die van gekwelde, door schuld en boete geobsedeerde eenzaten altijd zijn fort heeft gemaakt. ‘Het personage en het sociologisch probleem. Soms verzin je eerst het personage en volgt het probleem. Soms vertrek je van het probleem en vind je daarna een personage dat als metafoor dient, zoals dat het geval was bij Taxi Driver. Hier kwam eerst het personage.’

Een professionele gokker.

Paul Schrader: Ik ontdekte dat het leven van zulke mensen allesbehalve glamoureus is. Op tv zie je enkel het geld, maar dit zijn kerels die werkdagen van 12 uur kloppen, voortdurend kaarten tellen en kansen berekenen. Alsof ze in een vagevuur zitten. Tegelijk stelde ik vast dat we in een tijd beland zijn waarin niemand nog verantwoordelijkheid voor zijn daden opneemt. ‘Ik heb haar aangeraakt, maar bedoelde het niet zo’, je kent het riedeltje wel. Ik kom uit een streng calvinistisch milieu waar je geboren wordt met schuld en gaandeweg alleen maar schuldiger wordt, waar je zelfs verantwoordelijk bent voor de dingen die je niet hebt gedaan. Ik vroeg me af: wat als iemand met mijn achtergrond iets doet dat zo vreselijk is dat hij zichzelf niet kan vergeven? Daaruit borrelde de metafoor op van een gokker die niet om geld geeft, maar enkel gokt om de tijd te doden. Vervolgens vroeg ik me af: wat heeft hij dan uitgespookt dat hij onmogelijk verlossing kan vinden? Een moord? Een overval? Nee, erger. Hij heeft de natie bevlekt, en de publieke opinie heeft hem niet vergeven. Dat is wat de Irakoorlog en Abu Ghraib zijn: schandvlekken op de Amerikaanse geschiedenis die niet meer uit te wissen vallen.

Is William Tell een update van Travis Bickle?

Schrader: Dit is geen sequel op Taxi Driver, maar het klopt dat ik dit personage 45 jaar geleden al een keer beschreven heb en toen heette hij Travis Bickle. Dit zijn mensen die een masker opzetten om hun littekens te verbergen, en die zitten te wachten tot iets gebeurt dat hen uit hun vagevuur haalt. Travis schreef in zijn dagboek: ‘The days go on and on… they don’t end. All my life needed was a sense of someplace to go.’ Hier zegt Will: poker draait om wachten, tot je de juiste kaart in handen krijgt. Zelfde issues, zelfde profiel. Andere tijd, ander beroep.

Als filmmaker zat je zelf een poos in het vagevuur, tot je je met First Reformed weer op het voorplan hees. Mee eens?

Schrader: First Reformed was de consecratie, de rehabilitatie was Dog Eat Dog (2016) met Nicolas Cage. Ik was vlak daarvoor van een film gegooid, ook met Nic in de hoofdrol (The Dying of The Light , waar Schraders naam van de credits werd gehaald, nvdr.), en mijn carrière leek voorbij. Tot ik Dog Eat Dog zag passeren en zei: ik denk dat ik Nic kan overhalen om dit te doen, maar dan moet ik wel final cut krijgen. Ik had nooit eerder het gevoel dat ik final cut moest hebben, omdat films in de jaren zeventig en tachtig nog werden geproduceerd door mensen die van films hielden en er verstand van hadden. Daarna namen de investeerders het over en werden filmstudio’s gedegradeerd tot parkeerterreinen. In zo’n klimaat kun je niet vertrouwen op goede bedoelingen. Als je dan een goede film wilt maken, heb je final cut nodig. Die kreeg ik, en sindsdien kan ik opnieuw dingen maken die me interesseren.

'The Card Counter' van Paul Schrader: 'Taxi Driver', maar dan aan de pokertafel

The Card Counter staat bol van spanning en woede en doet geen regisseur vermoeden die al vijftig jaar meedraait. Waar blijf je de energie vandaan halen?

Schrader: Ik heb geen idee wat ik anders moet doen. In de filmbranche ben je met pensioen van zodra de telefoon niet meer rinkelt. Zolang ik hem kan doen rinkelen, ben ik een tevreden man. Boos, maar tevreden. (lacht) Ik weet dat ik geen tien films meer ga maken, maar hierna volgt er nog één, en daarna zie ik wel. Ik heb geen tijd en behoefte meer om nog iets triviaals te doen. Een studiofilm in Hollywood? Nee, dank u. Mijn volgende is The Master Gardener (met Sigourney Weaver en Joel Edgerton, nvdr.), over een man die gevangen zit tussen een jongere en een oudere vrouw. Een driehoeksrelatie: nog nooit geprobeerd. Dat ik dat nog mag meemaken. (lacht)

Opvallend: je hebt in je lange carrière ook nooit een karakterstudie gemaakt met een vrouw in de hoofdrol.

Schrader: Ik heb er wel eens over nagedacht en heb genrefilms met vrouwen gemaakt: de biopic Patty Hearst (1988) met Natasha Richardson en de horrorfantasie Cat People (1982) met Nastassja Kinski. Het ding is: ik ken de logica en interne mechaniek van mannen. Ik voel me niet zo comfortabel bij die van vrouwen. Ik voel vrouwen niet intuïtief aan. In tegenstelling tot sommige mannen. (lacht)

Even terug naar The Card Counter: heb je William Tell geschreven met Oscar Isaac in gedachten?

Schrader: Ik schrijf nooit met een acteur in gedachten, want dat resulteert in luie scenario’s. Je schrijft een speech voor Al Pacino en denkt: wow, wat een goede speech. Maar het is geen goede speech. Het is Al die een geweldig acteur is. Het is wel zo dat hoe specifieker een personage wordt, hoe meer bepaalde acteurs in het vizier komen. Ik had al aan Oscar gedacht voor First Reformed, maar ik heb toen voor Ethan Hawke gekozen omdat die ouder is, wat beter paste. Twintig jaar geleden heb ik Oscar zijn eerste hoofdrol gegeven, maar die film (een wraakthriller die zich in Mexico moest afspelen, nvdr.) is toen niet doorgegaan. Hij is altijd in mijn hemisfeer gebleven, maar pas nu pasten de puzzelstukjes. Ik hou van Oscar. Hij heeft klassieke movie star looks. Hij doet me denken aan Ramon Novarro, samen met Rudolph Valentino de grootste ster van het stillefilmtijdperk. En aan Marcello Mastroianni. Dat masker, dat schild had ik nodig, al is het lastig om te werken met zo’n acteurs omdat je ze moet overhalen om louter aan de oppervlakte te spelen.

Zoals veel van je films is The Card Counter een mix van genrecinema en existentieel drama. Had je referenties in gedachten?

Schrader: Er zijn Un condamné à mort s’est échappé (1956) en Pickpocket (1959) van Robert Bresson, gevangenisfilms waarop ik vaker heb gevarieerd. Er is Le samouraï (1967) van Jean-Pierre Melville, wat ook een geïnterioriseerde gangsterfilm is. En er is The Cincinnati Kid (1965), de pokerfilm van Norman Jewison waaruit ik de kleren van het hoofdpersonage heb gejat. Voeg daar wat clichés uit gokfilms aan toe, met het finale duel aan tafel, en je bent er ongeveer.

Tot slot: je hebt voor Martin Scorsese Taxi Driver, Raging Bull, The Last Temptation of Christ en Bringing Out the Dead geschreven. Bij The Card Counter staat hij als uitvoerend producent vermeld. Wat heeft hij bijgedragen?

Schrader: Zijn naam. (lacht) Als vriendendienst. Ik zei tegen Marty: we naderen allebei het einde van onze carrière. Zou het niet aardig zijn om nog eens de titelrol te delen? Plus: met jouw naam erbij ga ik dit project makkelijker rondkrijgen. Hij gaf me permissie en de rest is geschiedenis.

The Card Counter

Vanaf 29/12 in de bioscoop.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Paul Schrader

75-jarige scenarist en regisseur die met Martin Scorsese, Steven Spielberg, Brian De Palma, Francis Ford Coppola en co. tot de movie brats, de New Hollywood-generatie gerekend wordt.

Groeit op in een streng calvinistisch gezin en heeft tot zijn achttiende geen enkele film gezien. Een ontmoeting met filmcritica Pauline Kael bekeert hem tot de zevende kunst.

Schrijft de scenario’s van Scorsese’s Taxi Driver (1976), Raging Bull (1980), The Last Temptation of Christ (1988) en Bringing Out the Dead (1999).

Regisseert zelf ook een kloek cv bijeen, met American Gigolo (1980), Mishima (1985), Light Sleeper (1992), Auto Focus (2002) en First Reformed (2017) als bekende titels.

Partner Content