‘Son of Saul’: Een dreun van een Holocaustdrama

© gf
Dave Mestdach
Dave Mestdach Chef film van Knack Focus

De Hongaarse debutant László Nemes sleurt je de moordfabriek van Auschwitz in en levert een dreun van een Holocaustdrama af.

Son of Saul

László Nemes met Géza Röhrig, Levente Molnár, Urs Rechn

Schindler’s List, Kapo, The Pianist, Mr. Klein, Sophie’s Choice, La vita è bella… telkens als er een Holocaustfilm uitkomt, doemt onvermijdelijk de vraag op in welke mate je de dodelijkste, meest cynische en methodische genocide van de twintigste eeuw kunt weergeven in cinema, zonder de gruwel ervan te trivialiseren. Vrijwel alle Holocaustfilms gaan immers over zij die het overleefden. ‘Dat waren de uitzonderingen’, aldus de Hongaarse debutant László Nemes, die zelf een deel van zijn familie in Auschwitz verloor. ‘Auschwitz gaat over doodgaan, dus wilde ik een film over de doden, niet over de overlevenden.’

Daarom was een film over de concentratiekampen zelden of nooit zo radicaal en beklemmend als Son of Saul, zowel inhoudelijk als cinematografisch. Het grootste deel speelt zich namelijk af – een taboe in Holocaustdrama’s – in de gaskamers zelf, waar Nemes in het kielzog kruipt van Saul, een Joodse man die deel uitmaakt van een Sonderkommando, dat als taak heeft de lijken op te ruimen en de vloeren schoon te schrobben na gebruik.

Ontsnappen uit die menselijke hel zit er niet in, en overleven wellicht ook niet, zoals hij en zijn collega’s almaar meer beginnen te beseffen. Saul maakt er dan maar een erezaak van om het lijk van een jongen waarin hij zijn zoontje meent te herkennen te begraven in plaats van in de verbrandingsoven te dumpen, ook al riskeert hij daarmee zijn einde en dat van anderen te bespoedigen.

De 38-jarige Nemes, die de regiestiel onder meer leerde bij long take-meester Béla Tarr, zit Saul voortdurend dicht op de zwetende huid, en volgt diens queeste met lange, ononderbroken en vanaf de schouder gefilmde shots die het gevoel van beklemming en uitzichtloosheid alleen maar versterken. Ondertussen hoor je het voortdurende geschreeuw van slachtoffers en het gesnauw van de nazicommandanten die het horrorkabinet orkestreren. Zo word je getuige tegen wil en dank, en onderwerpt Nemes je aan een danteske trip waar je haast fysiek ongemakkelijk van wordt.

Net als Pier Paolo Pasolini’s Salo maakt Son of Saul komaf met het veilige en laffe bourgeoisidee dat cinema moet verheffen of verstrooien. Of zoals Nietzsche al wist: ‘We hebben kunst om niet aan de waarheid te sterven.’ De film, gebaseerd op teruggevonden getuigenissen van de naar schatting 1,1 miljoen (!) mensen die in Auschwitz-Birkenau werden vermoord, wil de uitwassen van het fascisme tastbaar maken, en een gevoel van walging, verontwaardiging, herinnering en misschien zelfs schaamte evoceren. En dat met als onuitroeibare kern: het verhaal van een Mensch die een humanistische daad wil stellen in een waanzinnig, moreel geperverteerd klimaat waarin elke vorm van mededogen of verantwoordelijkheidszin op een akelige, fabrieksmatige manier wordt weggebrand.

Een vormelijk en inhoudelijk dwingende film die je sprakeloos, onthutst en vol vragen achterlaat, en in Cannes zeer terecht werd bekroond met de Grand Prix du Jury.

De inhoud op deze pagina wordt momenteel geblokkeerd om jouw cookie-keuzes te respecteren. Klik hier om jouw cookie-voorkeuren aan te passen en de inhoud te bekijken.
Je kan jouw keuzes op elk moment wijzigen door onderaan de site op "Cookie-instellingen" te klikken."

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content