Waar ik woon, lijkt het een beetje op België in de jaren tachtig. Auto's parkeren er nog overal en rijden veel te snel voorbij scholen. Sommige facturen voor nutsvoorzieningen moet je gaan betalen in het postkantoor - dat is een plaatselijk distributiecentrum voor papieren briefwisseling vol met ambtenaren en een rij lotgenoten. Meisjes krijgen zonder fout de roze handdoek met een prinsesje erop en een eindeloze voorraad poppen, jongens de blauwe handdoek en een BMX om lekker mee te vallen. Mensen kijken nog naar de gewone tv en geloven nog wat daarop wordt gezegd. Wie weet, wordt er straks ook weer met lires in de plaats van euro's ...

Waar ik woon, lijkt het een beetje op België in de jaren tachtig. Auto's parkeren er nog overal en rijden veel te snel voorbij scholen. Sommige facturen voor nutsvoorzieningen moet je gaan betalen in het postkantoor - dat is een plaatselijk distributiecentrum voor papieren briefwisseling vol met ambtenaren en een rij lotgenoten. Meisjes krijgen zonder fout de roze handdoek met een prinsesje erop en een eindeloze voorraad poppen, jongens de blauwe handdoek en een BMX om lekker mee te vallen. Mensen kijken nog naar de gewone tv en geloven nog wat daarop wordt gezegd. Wie weet, wordt er straks ook weer met lires in de plaats van euro's betaald, maar zo ver is het vooralsnog niet. Door hier te wonen besef ik beter dat er nog veel verandering nodig is. Om de bekende en vorig jaar overleden Zweedse professor Hans Rosling te parafraseren: ik ken het Italië van 2018, want ik groeide erin op in het Vlaanderen van dertig jaar geleden. Ik zag bijvoorbeeld een reportage over de regeringsvorming en daarin zat de grootste groep mannelijke zestigplussers met dezelfde bleke huid en hetzelfde grijze pak ooit bij elkaar verzameld. Dat was dan 'de politieke klasse'. Oei ja, denk je dan, zo was het inderdaad. Ik denk dat we veel te vaak oorzaken en gevolgen door elkaar halen. Ik geloof namelijk dat economie de oorzaak is van ongelijkheden. Als ik strijd zou voeren voor de rechten van de vrouw of van een bepaalde nationaliteit, dan zou ik me, geloof ik, haast zuiver met de economie bezighouden. Daarna volgt de wetgeving. Vanuit de wetgeving ontstaan de normen, vanuit de normen gewoontes, taal enzoverder. Ik vind het daarom vreemd om met de taal te beginnen. Ook al omdat je daar vaak in een situatie terechtkomt waarin het niet meer duidelijk is wat nu precies het doel is. Is het de bedoeling om neutraler te worden, of net sterker? Want dat zijn geen synoniemen. Zo hoor je vaak dat titels of beroepen vervrouwelijken niet meer kan. Je mag niet zeggen: directrice, conductrice, uitgeefster, chirurge... Nee, als je dat doet, dus een woord gebruiken met een vervrouwelijkt suffix, dan ben je niet goed bezig. Maar de lijn loopt niet door, dus het is niet zo dat je een verpleegster plots verpleger moet gaan noemen. Denk ik. Of een lerares een leraar. Of een schoonmaakster een schoonmaker. Dus om de een of andere, mij volledig onduidelijke reden geldt hetzelfde principe niet voor alle gevallen. Het lijkt er wel op dat hoe hoger het aanzien van de job, hoe minder aanvaard de vervrouwelijking van de titel is. En wat zou dat dan weer zeggen? Hoe hoger op de maatschappelijke piramide, hoe minder vrouwelijk taal mag worden? Hoe onnozel zou dat zijn? En ik denk, vanuit mijn liefde voor taal: waarom zou je in godsnaam tegen een vrouwelijk suffix zijn? Waarom? Omdat het geslacht niet mag uitmaken? Goed. Maar is de oplossing dan mannelijke of neutrale woorden gebruiken? Lijkt me vreemd. Het begint bij economische strijd voor gelijkheid, al de rest, en bij uitstek de taal die we gebruiken, is gevolg van die realiteit. Kom dat maar eens nagaan in Italië, waar meisjes bella zijn en jongens figo.