In het vorige seizoen van Narcos, over het Calikartel, speelde de familie van William Rodríguez Abadia (54) een hoofdrol. Zijn vader Miguel en oom Gilberto Rodríguez Orejuela leidden dat namelijk, en hijzelf had er een niet onbelangrijke rol in. 'Meer dan 90 procent van wat de serie toont, is fictie', beweert hij. 'David Rodríguez, het personage dat op mij geënt is, is een koelbloedige moordenaar voor het kartel, een gewetenloze psychopaat. Ik pleegde geen moorden voor mijn vader, ik was zijn advocaat.'

Maar meer nog stoort Rodríguez zich aan 'het wansmakelijke gedrag van Netflix. Ze gebruiken onze familiegeschiedenis voor exact hetzelfde doel als waarvoor mijn familie met die drugshandel is gestart: het grote geld. Wat is dan nog het verschil? Ze verheerlijken de macht die met drugshandel gepaard gaat. Dat ze met zulke verhalen jongeren overal ter wereld ertoe kunnen aanzetten het drugsmilieu te vervoegen, zal hun een zorg zijn. Wij Latino's zijn ondertussen al meer dan dertig jaar gewend aan die maffia en hebben ermee moeten leren leven, maar ik vrees voor jongeren in Europa. Narcos leert hen dat het extreme kartelgeweld normaal is.'

Mijn vader en mijn oom hebben zich lange tijd niet bezondigd aan geweld, maar we waren niet tegen moeder Teresa aan het vechten, hè.

Narcos toonde onder meer nieuwsbeelden van Colombianen die massaal op straat kwam, woedend over 'Proceso 8000', het schandaal omtrent de presidentscampagne van Ernesto Samper in de jaren negentig, die mede gefinancierd werd door drugsgeld. Zo onrealistisch was dát alvast niet.

William Rodríguez Abadía: Ik spreek niet graag over die feiten, maar het klopt, ja. Wij hebben Samper 4 miljoen dollar gegeven tijdens de eerste ronde en 6 miljoen tijdens de tweede. De DEA heeft gesprekken daarover afgetapt. Samper heeft na zijn verkiezingsoverwinning een heel aantal hoge functionarissen en belangrijke regeringsleden laten opsluiten, maar zelf is hij vrijuit gegaan.

Zelf heb ik vanaf 1995 de juridische en politieke belangen van onze organisatie behartigd. Ik kocht politici en rechters om. En ik kan je zeggen dat de meesten mijn steekpenningen accepteerden. Corruptie was in Colombia doodgewoon en voor zover ik weet, gebeurt het nog frequent.

Op 2 december 1993 stierf Pablo Escobar en kwam er een einde aan de macht van het Medellinkartel. Wat was jullie relatie met hem?

Rodríguez: Bijna tien jaar eerder, in 1984, wilde Escobar justitieminister Rodrigo Lara Bonilla vermoorden. Hij had mijn vader en oom gevraagd daaraan mee te werken. Zij weigerden, geloofden meer in juridische strijd dan in zulke terroristische acties. In 1987, door een dispuut over een partner van beide kartels, kwam het pas echt tot een confrontatie. Escobar stond niet meer alleen met de overheid op voet van oorlog, maar ook met ons. Aanslagen en moorden, met name door het Medellínkartel, waren in die tijd aan schering en inslag in Colombia. Er zijn ook verschillende bomaanslagen op mijn familie geweest. We hadden een zeer uitgebreid netwerk van apotheken en bijna dagelijks werd er wel eentje opgeblazen. We hebben veel dierbaren verloren in die periode. Mijn vader en mijn oom zijn er uiteindelijk in geslaagd Escobar te stoppen door de overheid zowel financieel als met informatie te helpen. Dat er een einde is gekomen aan het intrieste hoofdstuk dat het Medellínkartel voor ons land vormde, is grotendeels aan ons te danken.

ARTURO CASTRO (m.) als de Narcos-versie van William Rodríguez Abadia. 'Ik pleegde geen moorden voor mijn vader, ik was zijn advocaat.' © Juan Pablo Gutierrez/NETFLIX

In tegenstelling tot Escobar waren mijn vader en oom ondernemers. Zij hebben zich lange tijd niet bezondigd aan geweld, maar als je moet overleven, heiligt het doel alle middelen. Ze hebben zich toen omringd met andere personen en zijn een lelijke strijd aangegaan. We waren niet tegen moeder Teresa aan het vechten, hè.

Er wordt gezegd dat je vader en oom zich destijds uit het illegale circuit wilden terugtrekken.

Rodríguez: Onze familiegeschiedenis vertoont zeer veel gelijkenissen met The Godfather: elke keer dat we wilden stoppen, ons alleen nog maar met legale activiteiten wilden bezighouden, kwam er iets tussen. We waren zeer rijk, maar de oorlog tegen Escobar en zijn kartel was enorm duur en daarom bleven mijn oom en vader drugs verhandelen. De Colombiaanse overheid was ons dankbaar omdat we Escobar hadden helpen te stoppen - niet openlijk, maar achter de schermen leefde dat gevoel wel. Ik denk dat dat het moment is geweest waarop we ons hadden moeten terugtrekken. Helaas, mijn vader en mijn oom waanden zich onaantastbaar. Wat er nadien gebeurde, is het intrieste verhaal van elke grote drugsbende. We werden de grootste, waardoor andere organisaties ons benijdden. Mijn oom en mijn vader kozen ervoor de oorlog verder te zetten.

In Narcos kon je zien hoe Jorge Salcedo uiteindelijk je vader verraadde. Stemt dat overeen met de realiteit?

Rodríguez: Ja. Hij was opgeklommen tot onze communicatiebaas, maar zwichtte voor het anderhalf miljoen dollar dat de Amerikanen hem als beloning boden. Het heeft hem geen windeieren gelegd. Hij heeft zich voor de rechter moeten verantwoorden, maar heeft geen dag in de cel gezeten én ook nog eens anderhalf miljoen dollar gekregen. Ik ben mijn familie trouw gebleven en betaal daar ondertussen al twintig jaar de tol voor.

Suggereer je nu dat je momenten hebt gehad dat ook jij het kartel de rug wilde toekeren?

Rodríguez: Op 24 mei 1996 werd ik op restaurant neergeschoten door leden van het Norte del Valle-kartel (Rodríguez werd in kritieke toestand aangetroffen, vijf anderen overleefden de aanslag niet, nvdr.). Ik kreeg twee kogels in mijn maag en een in elke pols. Dat is een sleutelmoment geweest in mijn leven. Ook ik had veel macht, ook ik beschouwde mezelf als onaantastbaar. Toen ik daar hevig bloedend lag, werd ik me weer bewust van mijn eigen sterfelijkheid, van de consequenties van mijn daden voor mezelf en mijn familie. Ik smeekte God om te blijven leven. Het is een mirakel dat ik het nog kan navertellen.

William Rodríguez Abadia © Isopix

Ik wilde zo snel mogelijk met alles stoppen. Helaas was ik geen simpele Juan of Pedro die lid was van het kartel. Het kartel de rug toekeren, betekende zoveel als mijn familie nooit meer zien. Die stap heb ik nooit kunnen zetten, maar ik realiseerde me dat we finaal zouden verliezen. Mijn vader en oom, die toen al in de cel zaten, dachten dat ze de Amerikanen uiteindelijk wel op de knieën zouden krijgen. Fout: je kunt een veldslag winnen tegen Amerika, maar geen oorlog.

Toen er in 1997 een wet kwam waardoor Colombianen niet langer beschermd waren tegen deportatie naar Amerikaanse gevangenissen voor feiten na die datum gepleegd ben ik uit het kartel gestapt. Ik hield me vanaf dan bezig met voetbalclub América de Cali, waar onze familie eigenaar van was. Toen in 2002 een opsporingsbevel tegen mij werd uitgevaardigd, heb ik me vier jaar lang verstopt. Ik verkaste elke maand naar een ander huisje op het platteland of in de jungle. Ik deed me voor als een advocaat die ziek was en nood had aan rust.

Uiteindelijk werden mijn oom en vader uitgeleverd. Ik herinner mij nog haarscherp het moment dat ik op televisie mijn vader gehandboeid op het vliegtuig richting VS zag stappen. Ik probeerde toen nog steeds zo veel mogelijk in het belang van familie te handelen, maar ik moest een belangrijke keuze maken: mijn vrouw en mijn dochtertjes van acht en zes waren ook in gevaar. Dankzij de steun van mijn vrouw heb ik al mijn moed bij elkaar geraapt en heb ik mij uiteindelijk vrijwillig aangegeven.

Onder welke voorwaarden?

Rodríguez: Ik heb een verblijfsvergunning voor mijn gezin gevraagd, in ruil voor informatie, een celstraf van maximaal tien jaar en een verblijfsvergunning voor mezelf van zodra ik vrijkwam. Veel mensen verwijten mij dat ik mijn familie heb verraden, maar eigenlijk hebben mijn oom en mijn vader dat gedaan. Zij hebben meermaals de kans gehad zich terug te trekken uit de drugshandel.

Je zat in dezelfde gevangenis, in Edgefield, South Carolina, als je vader, maar je hebt hem al die jaren daar nooit ontmoet. Toen je vrijkwam, heb je wel de kans gekregen om hem te bezoeken.

Rodríguez: Ik had mijn vader voor het laatst gezien in 2002, toen hij in Bogotá in de cel zat. Toen ik hem tien jaar later terugzag, was mijn leven erg veranderd. Mijn vader was ondertussen zeventig, maar die tien jaar cel hadden hem veel ouder gemaakt. Ik was blij om hem terug te zien, maar triest vanwege de omstandigheden waarin ik hem zag. Ik ben hem nog twee keer gaan bezoeken, maar later, door mijn boek (Yo soy el hijo del cartel de Cali uit 2014, nvdr.), is het contact tussen ons verbroken. Mijn vader zweert bij de omerta: wat je niet vertelt, zal vergeten worden. Jammer.

William Rodríguez Abadia

Zoon van Miguel Rodríguez Orejuela, die samen met zijn broer Gilberto het Calikartel runde.

Studeert rechten in Colombia, specialiseert in marketing en business in Spanje.

Realiseert zich naar eigen zeggen pas als volwassene wat het zakenimperium van zijn familie precies omhelsde.

Gaat zich om de 'politieke en financiële' aspecten van dat imperium bekommeren - inclusief omkoping.

Is in 1996 het doelwit van een aanslag, waarbij hij zwaargewond raakt, een keerpunt voor hem.

Duikt verschillende keren onder, maar geeft zich uiteindelijk over aan de VS, waar hij vijf jaar in de cel zit.

Schrijft een boek over zijn levensverhaal, Yo soy el hijo del cartel de Cali, dat volgend jaar ook in een documentaire moet resulteren, The Myth of Change.